Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV1054

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2006
Datum publicatie
06-02-2006
Zaaknummer
04/7338 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WUBO-uitkering geweigerd. Aanvraag gebaseerd op klachten ontstaan ten gevolge van ervaringen tijdens Japanse bezetting Nederlands-Indië in WOII.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

04/7338 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad , verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 18 november 2004, kenmerk JZ/R70/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft daarna nog een nadere memorie ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 december 2005, waar eiser, met voorafgaand bericht, niet is verschenen. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser, geboren in 1927 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in januari 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend, primair ertoe strekkend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Deze aanvraag heeft eiser gebaseerd op lichamelijke en psychische klachten, die naar zijn mening een gevolg zijn van zijn ervaringen tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië.

Verweerster heeft de aanvraag van eiser afgewezen bij besluit van 24 september 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Daartoe is overwogen dat eiser weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet - te weten zijn internering in verschillende kampen - maar dat niet is voldaan aan de ingevolge de Wet tevens geldende eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel tengevolge van de ondervonden oorlogscalamiteiten, leidend tot blijvende invaliditeit. Hierbij is in aanmerking genomen dat bij eiser sprake is van psychische klachten, bestaande uit een verhoogde prikkelbaarheid en waakzaamheid, maar dat deze slechts geringe beperkingen opleveren in zijn dagelijks functioneren. De lichamelijke klachten van eiser, waaronder doofheid, evenwichtstoornissen en knieklachten, kunnen naar het oordeel van verweerster niet worden gerelateerd aan zijn oorlogservaringen doch zijn, gelet op de lange klachtenvrije periode sedert de oorlog, leeftijdsgebonden en degeneratief van aard.

In beroep heeft eiser aangevoerd dat zijn psychische klachten - met name zijn door de oorlogservaringen ontstane en niet geaccepteerde geaardheid - wel degelijk hebben geleid tot zodanige beperkingen in zijn bestaan dat van invaliditeit in de zin van de Wet sprake is. In dit verband heeft eiser gewezen op door zijn huisarts verstrekte informatie.

Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

De hiervoor weergegeven zienswijze van verweerster over eisers psychische klachten is in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Deze adviezen berusten op de resultaten van een op verzoek van verweerster door de arts R.J. Roelofs ingesteld medisch onderzoek van eiser, en ten laatste ook op van eisers huisarts verkregen medische informatie over eiser. In het in bezwaar uitgebrachte medisch advies is aangegeven dat bij het medisch onderzoek van eiser een chronische hyperarousal als uiting van een posttraumatische stressstoornis naar voren is gekomen doch de volledige diagnose niet kon worden gesteld, en dat deze bevindingen overeenkomen met hetgeen door eisers huisarts is geconstateerd. Voorts is aangegeven dat zowel bij genoemd onderzoek als uit de informatie van de huisarts niet is kunnen blijken dat eiser, in vergelijking met zijn leeftijdgenoten, als gevolg van zijn psychische klachten niet adequaat functioneert in het leven van alledag.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd.

In de ter beschikking staande medische gegevens heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunt gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseurs, op basis van die gegevens ingenomen standpunt dat geen sprake is van tot invaliditeit leidend psychisch letsel. Dat eiser, zoals ook in de informatie van de huisarts is vermeld, zich door anderen niet begrepen voelt en mede daardoor prikkelbaar en onrustig is, staat blijkens de voorhanden gegevens toch niet in de weg aan redelijke goede contacten met zijn familie en heeft ook anderszins niet ertoe geleid dat eiser bij de pakken is gaan neerzitten.

Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit, voorzover in beroep aangevochten, in rechte standhouden en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2006.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.