Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV1053

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2006
Datum publicatie
06-02-2006
Zaaknummer
04/7369 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WUV-uitkering geweigerd. Gebeurtenissen Nederlands-Indië WOII. Anti-hardheidsbepaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

04/7369 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats] (Indonesië), eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 28 oktober 2004, kenmerkJZ/R60/2004/0715, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dat besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft eiser uiteengezet waarom hij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 december 2005. Daar is eiser niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in februari 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend om erkenning als vervolgde in de zin van de Wet en om toekenning van een periodieke uitkering.

Bij besluit van 1 juli 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster deze aanvraag afgewezen op de grond - kort gezegd - dat niet is gebleken dat eiser vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan, terwijl de omstandigheden waaronder eiser de oorlogsjaren heeft meegemaakt niet zodanig uitzonderlijk waren dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden om eiser met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Ingevolge artikel 2 van de Wet wordt, voorzover hier van belang, onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing of homosexsualiteit dan wel hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd.

Op grond van de beschikbare gegevens - waaronder gegevens omtrent de broer en zuster van eiser - is de Raad met verweerster van oordeel dat niet is komen vast te staan dat eiser vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan, aangezien niet is gebleken dat eiser heeft verbleven in een kamp zoals bedoeld in artikel 2 van de Wet.

Ten aanzien van verweersters weigering om eiser met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen overweegt de Raad het volgende.

Ingevolge dit artikellid kan verweerster – onder meer – met de vervolgde gelijkstellen de persoon die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden heeft verkeerd welke overeenkomst vertonen met vervolging, indien het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

In het kader van de in artikel 3, tweede lid, van de Wet gegeven discretionaire bevoegdheid hanteert verweerster met betrekking tot met de vervolging overeenkomende omstandigheden een richtlijn die inhoudt dat er aanleiding kan zijn om met toepassing van de anti-hardheidsbepaling tot gelijkstelling over te gaan indien de ouder van een aanvrager, die tot het moment van wegvoering in gezinsverband met de aanvrager leefde, tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 ten gevolge van de vervolging is omgekomen.

Uit de voorhanden gegevens komt echter naar voren dat de vader van eiser na zijn krijgsgevangenschap met het gezin is herenigd.

Ook overigens is de Raad uit hetgeen door eiser is gesteld niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerster aanleiding had moeten vinden om eiser met toepassing van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen.

Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden. Het beroep van eiser dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2006.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.