Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV1045

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2006
Datum publicatie
06-02-2006
Zaaknummer
05-1760 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering WUBO-uitkering. Klachten toegeschreven aan Japanse bezetting WOII en daaropvolgende Bersiapperiode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

05/1760 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 25 februari 2005, kenmerk JZ/C70/2005, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 december 2005. Aldaar is eiseres in persoon verschenen met bijstand van haar zoon [naam zoon van eiseres], terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres, geboren in 1941 in het voormalige Nederlands-Indiƫ, heeft in februari 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Deze aanvraag heeft eiseres gebaseerd op lichamelijke en psychische klachten, die naar haar mening een gevolg zijn van haar ervaringen tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indiƫ en de daarop volgende zogenoemde Bersiapperiode.

Verweerster heeft de aanvraag van eiseres afgewezen bij besluit van 21 september 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Daartoe is overwogen dat eiseres weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet - te weten haar internering in de suikerfabriek Barongan tijdens de Bersiapperiode - maar dat niet is voldaan aan de ingevolge de Wet tevens geldende eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel tengevolge van de ondervonden oorlogscalamiteiten, leidend tot blijvende invaliditeit. Hierbij is in aanmerking genomen dat bij eiseres sprake is van oorlogsgerelateerde psychische klachten, bestaande uit een lichte posttraumatische stressstoornis, maar dat deze geen beperkingen opleveren in haar dagelijks functioneren. De lichamelijke klachten van eiseres, te weten astma, kunnen naar het oordeel van verweerster niet worden gerelateerd aan haar oorlogservaringen.

In beroep heeft eiseres aangevoerd - samengevat - dat het oorlogsgeweld gedurende de interneringsperiode van blijvende invloed is geweest op haar verdere levensloop en met name haar sociaal-emotionele en geestelijke ontwikkeling, en haar op allerlei gebied in een achterstandspositie heeft geplaatst, zodat zij altijd slecht voor zichzelf heeft kunnen zorgen.

Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

De hiervoor weergegeven zienswijze van verweerster is in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Deze adviezen berusten op de resultaten van een op verzoek van verweerster door de arts G.J. Laatsch ingesteld medisch onderzoek van eiseres en op van de huisarts van eiseres over haar verkregen medische informatie. In die medisch adviezen is ten aanzien van de psychische klachten aangegeven dat bij eiseres sprake is van nachtmerries en vermijdingsgedrag dat aan de oorlogservaringen is te relateren maar dat eiseres daarvan in het leven van alledag, gemeten aan de hand van een viertal rubrieken, geen beperkingen in haar functioneren ondervindt. Verder is aangegeven dat eiseres als gevolg van haar astma vaak de school moest verzuimen en daardoor - ook in haar persoonlijkheidsontwikkeling - een achterstand heeft opgelopen, maar dat op dit punt sprake is van een familiaire belasting en niet van een verband met de interneringsperiode.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd.

In de ter beschikking staande medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseurs, op basis van die gegevens ingenomen standpunt dat geen sprake is van tot invaliditeit leidend psychisch letsel.

Wel is aannemelijk dat eiseres als gevolg van haar astmaklachten reeds vroeg in een achterstandspositie is terechtgekomen, maar de gevolgen daarvan kunnen voor de toepassing van de Wet al hierom niet meetellen, nu voor die klachten duidelijke andere oorzaken dan de oorlogscalamiteit zijn aan te wijzen.

De nog aangevoerde omstandigheid dat aan de zuster van eiseres wel een uitkering op grond van de Wet is toegekend kan niet tot een ander oordeel leiden, nu het hier gaat om de resultaten van een individuele medische beoordeling.

Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2006.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.