Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV1035

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2006
Datum publicatie
03-02-2006
Zaaknummer
05-2160 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet voldaan aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer aangezien in onvoldoende mate is aangetoond dan wel aannemelijk is gemaakt dat eiseres is getroffen door onder de Wet vallend oorlogsgeweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

05/2160 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 25 maart 2005, kenmerk JZ/A60/2005, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft daarop schriftelijk gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 december 2005. Aldaar is eiseres, met voorafgaand bericht, niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

In november 2004 heeft eiseres, geboren in 1941 in het voormalige Nederlands-Indië, een aanvraag ingediend onder meer ertoe strekkende om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. In dat verband heeft eiseres aangevoerd dat zij ten gevolge van haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië gezondheidsklachten heeft gekregen.

Bij besluit van 4 februari 2005, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster op deze aanvraag afwijzend beslist. Daartoe is overwogen dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer zoals vermeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet, aangezien in onvoldoende mate is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat eiseres is getroffen door onder de Wet vallend oorlogsgeweld.

De Raad staat voor de vraag of, gelet op hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

Dienaangaande wordt overwogen als volgt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid onder a, b, d en f, van de Wet wordt - voorzover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:

degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de zogenoemde Bersiapperiode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen

- tengevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- tengevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiapperiode;

- tengevolge van confrontatie met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiapperiode.

Als oorlogservaringen heeft eiseres naar voren gebracht dat zij in haar herinnering meerdere malen heeft moeten vluchten in verband met dreigende oorlogsomstandigheden en dat vanwege die omstandigheden steeds grote spanning heerste in het gezin. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat haar moeder tijdens een vlucht is gevallen en aan de gevolgen daarvan is overleden, hetgeen ertoe heeft geleid dat de kinderen eerst bij een tante hebben gewoond en daarna bij hun vader die in 1946 was hertrouwd.

De Raad stelt, overeenkomstig zijn vaste rechtspraak in zaken als deze, voorop dat algemene oorlogsomstandigheden - waaraan in meerdere of mindere mate eenieder heeft blootgestaan - niet zijn aan te merken als handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid, onder a en b, of f, van de Wet.

Hieruit volgt dat de ontwrichting van het (gezins)leven, de armoede en de dreiging die het gezin waartoe eiseres behoorde heeft ervaren tengevolge van de Japanse bezetting en de onlusten gedurende de Bersiapperiode niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden.

Bij het door verweerster ingestelde onderzoek, waarbij met name de bij verweerster bekende gegevens over de broer van eiseres [naam broer van eiseres] (geboren in 1939)

- waaronder ook een getuigenverklaring van hun zus [naam zus van eiseres en broer van eiseres] (geboren in 1937) - zijn geraadpleegd, is voorts geen enkel aanknopingspunt gevonden om aan te nemen dat sprake is geweest van vluchten onder of vanuit direct levensbedreigende omstandigheden, zoals beschietingen of direct tegen het gezin gerichte bedreigingen. De Raad kan onder deze omstandigheden billijken dat verweerster al daarom onvoldoende bevestiging van de door eiseres gestelde oorlogscalamiteit aanwezig heeft geacht.

De omstandigheid dat de moeder van eiseres tijdens de oorlogsjaren is overleden kan op zichzelf, hoe tragisch dit voor eiseres ook is geweest, niet worden aangemerkt als een oorlogscalamiteit in de zin van de Wet, zoals hiervoor omschreven.

Uit een en ander volgt dat de door eiseres genoemde omstandigheden niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden. Dit betekent ook dat verweerster aan een beoordeling van de door eiseres naar voren gebrachte gezondheidsklachten niet meer kon toekomen.

Hiermee is zeker niet miskend dat eiseres tijdens de oorlogsjaren en de Bersiapperiode angstige omstandigheden heeft ervaren. De erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet is echter gebonden aan de in die wet omschreven specifieke gebeurtenissen.

Voor vernietiging van het bestreden besluit bestaat dan ook geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2006.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.