Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV1032

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2006
Datum publicatie
03-02-2006
Zaaknummer
05-3597 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdagent eigent zich de banden en velgen van een auto toe die zich onder beheer van de politie bevond nadat de eigenaar daarvan afstand had gedaan. Is de straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig aan de ernst van het in aanmerking te nemen plichtsverzuim?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3597 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Korpsbeheerder van de politieregio Limburg-Noord, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 18 mei 2005, nr. 04/1220 AW K1, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij uitspraak van 19 juli 2005, nr. 05/3811 AW-VV, heeft de voorzieningenrechter van de Raad de werking van de aangevallen uitspraak opgeschort.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Namens gedaagde zijn nadere stukken ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 15 december 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.J.M. Schoonhoven, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en door mr. W.M. Verhoeven, werkzaam bij de politieregio Limburg-Noord. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C.L.J.A. Spiertz, advocaat te Boxmeer.

II. MOTIVERING

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Gedaagde was sinds 1987 werkzaam bij de politie, laatstelijk in de functie van hoofdagent bij de regiopolitie Limburg-Noord. Bij brief van 15 januari 2004 heeft appellant aan gedaagde meegedeeld dat tegen hem een strafrechtelijk en disciplinair onderzoek gestart zou worden. Dit betrof het zich toeëigenen van de banden en velgen van een auto die zich onder beheer van de politie bevond nadat de eigenaar daarvan afstand had gedaan. Als uitvloeisel van dat onderzoek is aan gedaagde bij besluit van 2 juni 2004 op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie, de straf van ontslag opgelegd. Naast de toeëigening van banden en velgen werden gedaagde nog twee andere gevallen van plichtsverzuim aangerekend. Gedaagde heeft in werktijd, met de dienstauto en in uniform een vakantiepark bezocht en in gezelschap van een jongere collega en enkele beveiligingsbeambten bij het weggaan een vrouwelijke beveiligingsbeambte op intieme wijze op de mond gezoend. Daarnaast heeft gedaagde met dezelfde collega in diensttijd met de dienstauto en in uniform buiten de regio een privé-bezoek gebracht aan een vrouw met wie hij zich in de keuken heeft teruggetrokken alwaar hij haar gezoend heeft.

1.3. Appellant heeft het tegen dit ontslagbesluit gemaakte bezwaar bij het bestreden besluit van 1 september 2004 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank overwogen, dat de zogenoemde banden- en velgenkwestie door appellant terecht is aangemerkt als zeer ernstig plichtsverzuim, maar dat de overige aan gedaagde verweten gedragingen als plichtsverzuim van een minder ernstig karakter waren te kwalificeren. Wat de banden- en velgenkwestie betreft overwoog de rechtbank dat sprake was van een situatie waarin niet specifiek voorschriften of richtlijnen bestaan met betrekking tot de vraag hoe om te gaan met auto’s waarvan afstand is gedaan. Dat enkele collega’s aan gedaagde de gewraakte handelwijze hadden geadviseerd laat zien dat bij de basiseenheid Gennep kennelijk een cultuur heerste waarin zulk verwijtbaar gedrag tot op zekere hoogte werd getolereerd. Mede in aanmerking nemend de staat van dienst van gedaagde en de omstandigheden dat tijdens de banden- en velgenkwestie geen (duidelijk) bevoegd gezag aanwezig was en dat gedaagde gepoogd had daarbij de rechtens juiste weg te volgen, achtte de rechtbank de als ultimum remedium bedoelde straf van onvoorwaardelijk ontslag te zwaar.

3. Appellant heeft in hoger beroep bovengenoemde overwegingen van de rechtbank uitvoerig bestreden. Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Gedaagde heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank en bestrijdt niet langer dat de drie aan hem verweten gedragingen als plichtsverzuim kunnen worden aangemerkt, waarvoor een disciplinaire straf kan worden opgelegd. Het geding in hoger beroep betreft nog slechts de vraag of de straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is aan de ernst van het in aanmerking te nemen plichtsverzuim.

4.2. De Raad zal zijn oordeel toespitsen op de zogenoemde banden- en velgenkwestie, omdat de andere twee gedragingen op zich zelf genomen onvoldoende grond vormen voor de straf van ontslag.

4.3. De rechtbank heeft overwogen dat de mate van verwijtbaarheid enige relativering verdient, omdat in de gegeven situatie niet zo duidelijk was wat wel en niet was toegestaan. De Raad deelt dit oordeel niet. Het zou aan gedaagde als ervaren politieman, ook bij afwezigheid van specifieke voorschriften of regels over de handelwijze met betrekking tot auto’s waarvan afstand is gedaan, volstrekt duidelijk moeten zijn geweest dat zijn handelwijze ongeoorloofd was. De lezing die gedaagde van de toedracht heeft gegeven, namelijk dat hij van de sloper aan wie de auto zou worden overgedragen op 25 december 2003 toestemming heeft gevraagd en gekregen om banden en velgen te verwisselen, acht de Raad niet geloofwaardig. Daar tegenover staan immers de verklaringen die de sloper zelf en diens echtgenote tegenover de politie hebben afgelegd, waarin nadrukkelijk wordt ontkend dat hierover was gesproken. Maar wat daarvan ook zij: die lezing van gedaagde gaat geheel voorbij aan het feit dat de bewuste auto zich op 25 december 2003 nog onder beheer van de politie bevond. De sloper had over de auto derhalve nog geen enkele zeggenschap. Desondanks heeft gedaagde nog diezelfde dag de auto op de parkeerplaats van het politiebureau ontdaan van zijn banden en velgen en deze verwisseld met die van zijn eigen auto.

4.4. Ook het gegeven, dat enkele collega’s gedaagde hebben geadviseerd te handelen zoals hij deed, doet naar het oordeel van de Raad niet aan de verwijtbaarheid af. Daar tegenover staat immers, dat minstens één en wellicht zelfs twee collega’s gedaagde zijn handelwijze hebben ontraden. Dat er ten tijde van de banden- en velgenkwestie geen (duidelijk) bevoegd gezag aanwezig was, kan evenmin als verontschuldiging gelden. Gedaagde heeft er immers zelf voor gekozen - terwijl er geen reden voor spoed was - niet te wachten op de komst van de chef van de basiseenheid, maar eigenmachtig zijn voornemen te volvoeren. Hij draagt voor die keuze de volle verantwoordelijkheid.

4.5. De rechtbank heeft, mede aan de hand van een reeks van voorbeelden over wangedrag van anderen bij de basiseenheid Gennep, geconcludeerd dat er kennelijk een cultuur heerste waarin dergelijk verwijtbaar gedrag tot op zekere hoogte werd getolereerd. De Raad oordeelt hieromtrent dat - wat er ook zij van het waarheidsgehalte van de genoemde voorbeelden - op geen enkele wijze is aangetoond dat de korpsleiding wangedrag gedoogde door tegen haar bekende gevallen niet op te treden. Ter zitting is desgevraagd namens de korpsleiding beschreven op welke wijze consistentie in het optreden tegen inbreuken op de integriteit wordt nagestreefd. Daarbij is terecht aangegeven dat het politiewerk zich grotendeels buiten het directe toezicht van de leidinggevenden afspeelt en een grote mate van handelingsvrijheid meebrengt. Dit stelt hoge eisen aan het beoordelingsvermogen, het verantwoordelijkheidsgevoel en de integriteit van de politieambtenaar zelf. Deze kan zich daarbij niet verschuilen achter het feit, dat zijn collega’s het mogelijk minder nauw nemen met de integriteitseisen.

4.6. De korpsleiding heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat gedaagde zich met zijn handelwijze heeft schuldig gemaakt aan een zeer ernstige aantasting van zijn eigen integriteit en die van het korps. Het behoort, met het oog op het vertrouwen dat de samenleving in de politie moet kunnen stellen, buiten iedere twijfel te zijn dat de politie zorgvuldig omgaat met goederen die zij krachtens haar publiekrechtelijke taak onder haar beheer heeft. Daarmee is onverenigbaar dat een politieambtenaar zich zo’n goed of onderdelen daarvan voor privé-doeleinden toeëigent.

4.7. De Raad is, samengevat, van oordeel dat gedaagde zich alleen al in de banden- en velgenkwestie heeft schuldig gemaakt aan zodanig ernstig plichtsverzuim, dat - ook indien de goede staat van dienst van betrokkene in aanmerking wordt genomen - de opgelegde straf van ontslag daaraan niet onevenredig is te achten. De overige gevallen van plichtsverzuim kunnen derhalve onbesproken blijven.

5. Gelet op het vorenoverwogene kan de aangevallen uitspraak waarbij het ontslagbesluit is vernietigd niet in stand blijven. Het beroep van gedaagde dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. R. Kooper en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P. van der Wal.