Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV0852

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2006
Datum publicatie
02-02-2006
Zaaknummer
02/5283 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is WAO-uitkering terecht geweigerd? Zorgvuldigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/5283 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 14 februari 2001 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen zijn besluit van

18 september 2000 waarbij hij heeft geweigerd per 29 mei 2000 aan appellant een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, zulks onder overweging dat, aangezien zijn verzuim geen verband houdt met ziekte of gebrek, hij de wachttijd van 52 weken niet heeft doorgemaakt.

Bij uitspraak van 12 september 2002, kenmerk SBR 01/470, heeft de rechtbank Utrecht het beroep van appellant tegen het besluit van 14 februari 2001(hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De Minister Justitie, de werkgever van appellant, heeft te kennen gegeven als (derde) partij aan het geding te willen deelnemen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 maart 2005. Voor appellant is toen verschenen mr. B. Vermeirssen, advocaat te Tholen, voor gedaagde mr. F. van Dam, werkzaam bij het Uwv, en voor de derde partij J. Rebergen, P&O-adviseur, en L. Mostert.

De Raad heeft toen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen om een onderzoek te doen instellen door de zenuwarts/neuroloog/psychiater C.J.F. Kemperman, die met assistentie van de klinisch psycholoog C.H.J. Hoogstraten op 15 juli 2005 rapport van hun bevindingen heeft uitgebracht met een aanvulling daarop op 12 augustus 2005 in reactie op nagekomen gegevens van appellants huisarts alsook van de psychiater C. Bosma en de psycholoog F.A. Edens van de Riagg IJsselland van 3 augustus 2005.

Bij brief van 5 augustus 2005 heeft gedaagde een reactie van de bezwaarverzekeringsarts G. Zomer op het rapport van Kemperman ingebracht.

Het geding is voortgezet behandeld ter zitting van de Raad op 2 december 2005. Voor appellant is verschenen

mr. Vermeirssen, voornoemd, gedaagde is niet verschenen en voor de derde partij zijn verschenen J. Rebergen, voornoemd, en mr. A. de Gooijer, adviseur rechtspositie en arbeidsvoorwaarden.

II. MOTIVERING

Gedaagde was voltijds werkzaam als [functie] bij een penitentiaire inrichting te [vestigingsplaats] toen hij na een auto-ongeval op 1 juni 1999 met whiplash-klachten volledig is uitgevallen. Hij is in behandeling gekomen bij de revalidatiearts M.A. Karssemeijer. Gaandeweg heeft appellant ook psychische klachten ontwikkeld en na verloop van tijd een WAO-uitkering aangevraagd. Appellant is op 28 maart 2000 onderzocht door de verzekeringsarts A.M. Blaauw - Hoeksma. Op haar verzoek is appellant op 29 mei 2000 onderzocht door de psychiater/psycho-analyticus B. Oskam die op 13 juni 2000 rapport heeft uitgebracht. Op verzoek van Oskam is appellant op 28 juni en 12 juli 2000 nog onderzocht door de neuropsychologen drs. C.M.J.E. Francot en drs. O.V.G. Wagenaar die op 19 juli 2000 rapport hebben uitgebracht.

Vervolgens is bij het primaire besluit aan appellant een WAO-uitkering geweigerd op basis van het eindrapport van

Blaauw - Hoeksma van 7/9 augustus 2000. Daarin heeft deze verzekeringsarts als diagnose functionele klachten bij een narcistische persoonlijkheidsstoornis met neurotische problematiek gesteld en de conclusie getrokken dat appellants claim niet consistent is met de bevindingen, dat de door appellant geuite klachten en beperkingen niet kunnen worden geobjectiveerd en dat er dus geen grond is voor toekenning van een WAO-uitkering, zodat appellants claim dient te worden afgewezen.

In navolging van de bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp, die op 2 februari 2001 op basis van de op dat moment beschikbare gegevens (met in begrip van de brief dr. C.J. Vos, als arts verbonden aan het Wiplash Centrum Nederland, van 3 oktober 2000 aan appellants huisarts) rapport heeft uitgebracht en daarin is gekomen tot de conclusie dat het primaire besluit is gestoeld op een adequaat en zorgvuldig onderzoek, is bij het bestreden besluit appellants bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellant brieven/rapporten van de manueel therapeut B. Verheij van 16 mei 2001, de arts R. Westerweel van 7 september 2000 en de arts-assistent psychiatrie A.S. van Amerongen van 6 maart 2002, welke laatste brief is mede-ondertekend door de psychiater M. Muinen, en heeft gedaagde een door de bezwaarverzekeringsarts Waasdorp op

4 april 2002 op basis van de op dat moment beschikbare gegevens opgesteld rapport ingebracht. Vervolgens heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak appellants beroep ongegrond verklaard, zulks onder overweging dat niet kan worden gezegd dat het medisch onderzoek vanwege gedaagde niet zorgvuldig kan worden genoemd, dat geen aanleiding bestaat tot het inschakelen van een onafhankelijke medische deskundige en dat gedaagde op toereikende gronden heeft geconcludeerd dat er bij appellant geen sprake is van arbeidsongeschiktheid, zodat gedaagde het opstellen van een belastbaarheidspatroon achterwege heeft kunnen laten.

In hoger beroep heeft appellant zijn eerder ingenomen standpunt min of meer herhaald, heeft de Raad vervolgens het hiervoor vermelde nadere medische onderzoek door Kemperman doen instellen, heeft gedaagde in reactie op het rapport van Kemperman als zijn mening gegeven dat in dat rapport het door hem ingenomen standpunt wordt bevestigd, zodat nader commentaar niet nodig is, en heeft appellant ter vervolgzitting kritische kanttekeningen bij het rapport van Kemperman geplaatst.

De Raad overweegt als volgt.

In ’s Raads jurisprudentie ligt besloten dat de Raad het oordeel van een door hemzelf ingeschakelde onafhankelijke deskundige volgt, tenzij sprake is van omstandigheden die aanleiding geven tot het maken van een uitzondering op deze regel.

Naar het oordeel van de Raad doen zodanige omstandigheden zich in dit geval niet voor.

Anders dan gedaagde (en kennelijk ook appellant, afgaande op het verhandelde ter zittingen), leest de Raad in het rapport van Kemperman dat Kemperman de mening is toegedaan dat appellant gedurende (er staat in, maar de Raad leest hiervoor gedurende, zoals in de vraagstelling aan Kemperman aangegeven) de eerste 52 weken (gerekend vanaf diens uitval op

2 juni 1999) gedeeltelijk door ziekte of gebreken in de zin van de WAO buiten staat is geweest tot het verrichten van arbeid. Hoewel de Raad in zijn vraagstelling aan Kemperman abusievelijk heeft verzuimd uitdrukkelijk aan te geven dat het erom gaat te weten of appellant door ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat was gedurende die periode zijn arbeid te verrichten, is op grond van de gedingstukken evident en is ook wel duidelijk dat Kemperman zich ervan bewust is geweest dat het uitsluitend om appellants eigen werk als [functie] bij een penitentiaire inrichting te [vestigingsplaats] ging. Omdat het retrospectieve karakter ervan de beoordeling op 22 juni 2005 van een situatie gedurende de periode van 2 juni 1999 tot en met 28 mei 2000 lastig maakt, heeft Kemperman zich in zijn eindconclusies in niet al te stellige bewoordingen uitgedrukt, maar in zijn antwoorden op de door de Raad aan hem gestelde vragen klinkt onmiskenbaar door dat hij van mening is dat appellant als gevolg van meerdere beperkingen (in de zin van de WAO) toentertijd niet volledig in staat is geweest zijn arbeid (gedurende die 52 weken) te verrichten. Dat betekent dat appellant naar de mening van Kemperman op de datum thans in geding wel de wachttijd van 52 weken heeft doorgemaakt en dat het uitsluitend daarop gebaseerde bestreden besluit noch (bijgevolg) de aangevallen uitspraak stand kan houden.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt, de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, het inleidend beroep alsnog gegrond dient te worden verklaard en het bestreden besluit alsnog dient te worden vernietigd.

Voorts acht de Raad termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant, welke met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn begroot op € 644,-- voor in beroep verleende rechtsbijstand (2 punten) en op € 805,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand (met 0,5 punt voor de vervolgzitting). De Raad beslist dan ook als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.449,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep (f 60,--) en in hoger beroep (€ 82,--) betaalde griffierecht van in totaal € 109,23 dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.E. Meijer.