Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV0800

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2006
Datum publicatie
02-02-2006
Zaaknummer
05-2116 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag tegemoetkoming aanschaf auto omdat betrokkene nog wel in staat is om van vervoer per taxi gebruik te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2116 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], postadres te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 17 maart 2005, kenmerk JZ/Q70/2005/, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, namens eiser bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift, met bijlagen, is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 december 2005. Aldaar is voor eiser verschenen mr. Van Berkel voornoemd, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken is eiser, geboren in 1943, vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Aan eiser zijn ook enkele bijzondere voorzieningen toegekend, waaronder een vergoeding van de kosten voor het onderhouden van sociale contacten tot een bedrag (vanaf 1 januari 2002) van € 136,45 per maand, en een tegemoetkoming in de kosten van deelname in het maatschappelijk verkeer tot een bedrag (vanaf 1 januari 2003) van € 48,80 per maand. Bij een en ander is aanvaard dat de psychische klachten van eiser in verband staan met de door hem vanwege zijn zigeunerafkomst ondergane vervolging; ten aanzien van zijn hartklachten is zodanig verband niet aanvaard.

In mei 2004 is namens eiser bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om toekenning van een vergoeding van dan wel een tegemoetkoming in de kosten van aanschaf van een auto. Daarbij is aangegeven dat eiser vanwege zijn psychische klachten geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, maar alleen zelf wil rijden.

Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 13 september 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, onder overweging

- samengevat - dat deze voorziening op grond van eisers voor toepassing van de Wet aanvaarde psychische klachten niet medisch dan wel sociaal-medisch is geïndiceerd, nu eiser nog wel in staat is om van vervoer per taxi gebruik te maken.

Ter beantwoording staat de vraag of, gelet op hetgeen namens eiser in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Naar de Raad al meermalen heeft geoordeeld is, gelet op de aard van de gevraagde voorziening, het door verweerster in zaken als deze gehanteerde uitgangspunt om eerst dan over te gaan tot toekenning van de gevraagde vergoeding of tegemoetkoming, indien sprake is van een absolute verhindering om van het openbaar vervoer of van een taxi gebruik te maken, in overeenstemming met een redelijke uitleg en toepassing van de artikelen 20 en 21 van de Wet.

Het standpunt van verweerster dat eiser nog wel in staat is te achten om van een taxi gebruik te maken, is in overeenstemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Deze adviezen berusten op bij verweerster ingevolge eerdere aanvragen over eiser al bekende medische informatie - waaronder een tweetal psychiatrische expertises van januari 2002 en februari 2003 - en recente aanvullende informatie uit de behandelende sector. In die adviezen is aangegeven - samengevat - dat eiser weliswaar op grond van zijn psychische klachten ernstige beperkingen ondervindt bij het gebruikmaken van het openbaar vervoer, maar dat eiser ook volgens eigen verklaring wel in staat is per taxi te reizen aangezien hij ook dan over zijn vervoer voldoende controle heeft.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van de genoemde medische adviezen naar behoren voorbereid en gemotiveerd.

Dat vanwege verweerster ingevolge de nu voorliggende aanvraag niet een zelfstandig medisch onderzoek van eiser is ingesteld kan de Raad niet onjuist oordelen gezien de reeds overvloedig aanwezige eerdere informatie van betrekkelijk recente datum, waarin ook eisers mogelijkheden op het gebied van vervoer aan de orde zijn geweest. Verder is van belang dat eiser bij de over de huidige aanvraag gemaakte aanvullende sociale rapportage heeft aangeven dat in zijn medische situatie geen wijziging is opgetreden, en van zo een wijziging ook uit de bij de behandelende sector - met name de huisarts - nog ingewonnen informatie niet blijkt.

In de voorhanden medische en andere gegevens heeft de Raad voorts geen aanknopingspunt gevonden om het in deze adviezen neergelegde, door verweerster gevolgde standpunt onjuist te oordelen. Eiser heeft ook zelf herhaaldelijk verklaard wel met de taxi te kunnen reizen omdat hij dan op ieder gewenst moment de rit kan afbreken.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2006.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.