Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV0799

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2006
Datum publicatie
02-02-2006
Zaaknummer
05-1980 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen nieuwe feiten bekend geworden om over te gaan tot herziening van een eerder oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1980 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 17 februari 2005, kenmerk JZ/K70/2005/0064, heeft verweerster ten aanzien van eiseres uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Eiseres heeft tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 december 2005. Daar is eiseres niet verschenen. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres, geboren in 1920, is door verweersters rechtsvoorganger bij besluit van 7 september 1973 erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Hierbij is aanvaard dat eiseres psychische klachten heeft die in verband staan met de vervolging.

In 1976 heeft eiseres in haar hoedanigheid van vervolgde onder andere een aanvraag gedaan voor vergoeding van wasserijkosten. Deze aanvraag is in 1978 afgewezen omdat er geen medische en/of medisch-sociale noodzaak voor behandeling van de was buitenshuis aanwezig werd geacht in het kader van de uit de vervolging voortvloeiende psychische klachten van eiseres. Deze afwijzing heeft destijds, nadat eiseres daartegen beroep had ingesteld, de rechterlijke toetsing doorstaan, waarbij ondermeer is overwogen dat de arthrosis waaraan eiseres lijdt niet door of in verband met de vervolging is ontstaan of verergerd.

In 1985 heeft eiseres zich tot verweerster gewend met een nieuw verzoek om een vergoeding van wasserijkosten. Verweerster heeft, nadat informatie bij de huisarts van eiseres was ingewonnen en daarover advies was uitgebracht door haar geneeskundig adviseur, deze aanvraag afgewezen bij besluit van 21 april 1986 met als motivering dat de gevraagde voorziening niet in verband staat met de ziekten of gebreken welke als gevolg van de vervolging zijn ontstaan. Tegen dit besluit heeft eiseres geen rechtsmiddel aangewend.

In augustus 2004 heeft eiseres bij verweerster een hernieuwde aanvraag ingediend om vergoeding van wasserijkosten.

Bij besluit van 29 oktober 2004, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster dit verzoek afgewezen. Bij het bestreden besluit is onder meer overwogen dat er geen reden is tot herziening van het eerdere oordeel, inhoudende dat de gewrichtsklachten van eiseres niet in verband staan met de vervolging, maar door andere oorzaken zijn ontstaan.

Eiseres kan zich niet verenigen met dit besluit en heeft er daartoe op gewezen dat zij vanwege een gewrichtsaandoening aan haar handen al jaren buiten staat is om zelf de was te doen. Dit is ook de reden waarom zij niet in het bezit is van een wasmachine. Zij meent dat haar gewrichtsklachten zijn terug te voeren op de ongunstige en gebrekkige omstandigheden waaronder zij gedurende de jaren 1942-1945 was ondergedoken.

De Raad overweegt het volgende.

De aanvraag van augustus 2004 draagt, naar verweerster terecht heeft vastgesteld, het karakter van een verzoek om herziening van een door verweerster eerder ingenomen standpunt over de gewrichtsaandoening aan de handen waaraan eiseres lijdt.

Ingevolge artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd op een daartoe gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is van discretionaire aard. Dit brengt mee dat verweerster een ruime bevoegdheid toekomt, waarbij de Raad het besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of er nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die ten tijde van de eerdere besluiten niet bekend waren en een zodanig nieuw licht op de kwestie werpen dat verweerster daarin aanleiding had moeten zien tot herziening over te gaan.

Blijkens de gedingstukken heeft verweerster in 2004, naar aanleiding van de nieuwe aanvraag van eiseres, medisch advies ingewonnen bij haar geneeskundig adviseur. Deze heeft, na kennisneming van de voorhanden zijnde medische gegevens waaronder actuele informatie van de radioloog dr. L.A. Roediger bij wie eiseres recentelijk onder behandeling was geweest, geconcludeerd dat op grond van haar causale psychische klachten er geen medisch noodzaak kan worden vastgesteld voor het verzorgen van de was door een wasserij. In de bezwaarfase is zijn conclusie onderschreven door de geneeskundig adviseur van verweerster, P. Windels. Deze heeft te kennen gegeven dat de gewrichtsklachten van eiseres het gevolg zijn van artrose en dat artrose een leeftijdsgebonden aandoening is die niet kan zijn ontstaan door de oorlogsomstandigheden die door eiseres zijn aangevoerd, zoals het verkrampt stilhouden en het verblijf in een koude ruimte.

Naar het oordeel van de Raad zijn in het onderhavige geval niet zodanig nieuwe feiten bekend geworden dat verweerster zich in de gegeven omstandigheden genoodzaakt moest zien over te gaan tot herziening van haar eerdere oordeel, dat ten grondslag lag aan de besluiten uit 1978 en 1986, inhoudend dat er geen verband bestaat tussen de gewrichtsklachten van eiseres, die de reden zijn waarom zij de was niet zelf doet, en de door haar ondergane vervolging.

Voor vernietiging van het bestreden besluit bestaat daarom geen grond.

De Raad acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een van de partijen te veroordelen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2006.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) J.P. Schieveen.