Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV0797

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2006
Datum publicatie
02-02-2006
Zaaknummer
05-1815 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene is erkend vervolgingsslachtoffer. Aanvraag tot toekenning van de aanschaf van een auto met stuurbekrachtiging afgewezen. Geen sprake van medische noodzaak of medisch-sociale wenselijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1815 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 3 maart 2005, kenmerk JZ/I/70/2005/0110, ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna te noemen: de Wet).

Namens eiser heeft A.B. Ruting, wonende te Den Haag, tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift is aangegeven waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 december 2005. Eiser noch zijn gemachtigde is daar, zoals tevoren bericht, verschenen. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken is eiser vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Verweerster heeft aanvaard dat de bij eiser bestaande psychische klachten en longklachten in het door de Wet vereiste verband met de vervolging staan. Met betrekking tot de andere lichamelijke klachten van eiser is een dergelijk verband niet aanvaard. Aan eiser zijn in het verleden op grond van de Wet enkele bijzondere voorzieningen toegekend waaronder met ingang van 1 januari 1994 een tegemoetkoming in de kosten verbonden aan het vervoer voor het onderhouden van sociale contacten. Het daarvoor toegekende bedrag is voorts bij besluit van 25 april 2000 met ingang van 1 juli 1999 van f 166,- verhoogd tot f 250,- per maand.

In juni 2003 heeft eiser bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om toekenning van een voorziening voor de aanschaf van een auto met stuurbekrachtiging ter vervanging van zijn inmiddels meer dan tien jaar oude auto. Gesteld is dat eiser zeer wantrouwend staat tegenover personen die niet tot de Sinti behoren Hij zou daarom niet met het openbaar vervoer kunnen reizen en ook niet van een taxi gebruik kunnen maken, maar zich slechts kunnen verplaatsen als hij achter het stuur zit van zijn eigen auto.

Verweerster heeft bij besluit van 16 juli 2004, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, die aanvraag afgewezen, voor zover hier van belang, op de grond dat een medische noodzaak of medisch-sociale wenselijkheid voor deze voorziening in verband met de ziekten of gebreken van eiser die voortvloeien uit de vervolging niet aanwezig is. Verweerster heeft bij haar besluit in het bijzonder overwogen dat bij eiser geen sprake is van zodanige ernstige beperkingen op grond van zijn uit de vervolging voortvloeiende psychische klachten en longklachten dat hij geen gebruik kan maken van de taxi of openbaar vervoer. Evenmin is er sprake van een medisch sociale wenselijkheid die grond kan vormen voor een tegemoetkoming in de kosten voor de aanschaf van een auto.

Eiser kan zich met dat besluit niet verenigen. Hij voert aan dat ten onrechte bij de medische advisering is opgemerkt dat eiser in 1991 heeft aangegeven dat hij per trein reisde. Eiser heeft nimmer per trein gereisd en ook nimmer willen te kennen geven dat hij dat ooit gedaan heeft. Op grond van zijn psychische klachten kan hij in het geheel niet per openbaar vervoer of taxi reizen. Zijn persoonlijkheidsstoornis brengt mee dat hij nauwelijks tot communiceren in staat is. Zijn gezondheids- situatie zou voorts de laatste tijd zodanig verergerd zijn, dat hij in een ernstig isolement dreigt te geraken. Opgemerkt wordt dat het in de rede ligt om, als de geneeskundig adviseur niet kan vaststellen dat er sprake is van paniekaanvallen, angsten en controledwang, een psychiatrisch onderzoek te doen verrichten.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

De Raad heeft in vaste jurisprudentie als zijn oordeel uitgesproken dat verweerster terecht kan uitgaan van de opvatting dat eerst dan aanleiding bestaat voor de gevraagde vergoeding van de aanschafkosten van een auto indien sprake is van een volledige beperking om met alle middelen van openbaar vervoer en met een taxi te reizen ten gevolge van de uit de vervolging ontstane medische klachten.

In het geval van eiser heeft verweerster op basis van de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad geoordeeld dat een totale beperking ten aanzien van het gebruik van openbaar vervoer (inclusief taxi) zich ten aanzien van eiser niet voordoet.

Aan deze adviezen liggen ten grondslag een rapport van medisch onderzoek verricht op 11 juni 2004 door de geneeskundig adviseur I.P.L. Koperberg, voorts de reeds bij de medische dienst van de Pensioen- en Uitkeringsraad beschikbare rapporten van eerder verricht medisch onderzoek, alsmede nog redelijk recente informatie van eisers huisarts Haerens van september 2003.

In het bovengenoemde rapport van 11 juni 2004 wordt opgemerkt dat thans het gebruik van enig openbaar vervoermiddel in het heden of verleden krachtig wordt ontkend en dat dit niet consistent is met de voorliggende informatie. Aannemelijk wordt geacht dat er bij eiser angsten zijn voor vreemden en dokters, maar dat dit niet wegneemt dat eiser zich - dankzij het toezicht dat zijn zuster op hem uitoefent - toch onder behandeling heeft gesteld van de huisarts en een fysiotherapeut. Ook wordt aannemelijk geacht dat er beperkingen zijn ten aanzien van het reizen per openbaar vervoer, maar dat er behoudens gevoelens van benauwdheid geen ernstige paniekaanvallen worden beschreven. Dat gebruik van met name een taxi, met of zonder begeleiding van derden onder normale omstandigheden in redelijkheid niet mogelijk zou zijn, is niet komen vast te staan, aldus de geneeskundig adviseur van verweerster.

Ter zitting van de Raad is voorts erop gewezen dat eiser zonder problemen meerijdt met zijn zus, zodat daarmee vast staat dat eiser kan meerijden met een andere persoon.

De Raad heeft in de gedingstukken onvoldoende aanknopingspunten gevonden om het door verweerster ingenomen standpunt dat eiser van een taxi gebruik kan maken onjuist te achten. Hij merkt daarbij op dat ten aanzien van eiser sedert 1991 verscheidene medische rapportages aanwezig zijn en dat met name naar aanleiding van de in geding zijnde aanvraag gericht onderzoek is verricht naar de bij eiser bestaande psychische beperkingen. De Raad ziet in hetgeen is aangevoerd van de kant van eiser geen aanleiding te veronderstellen dat die beperkingen zijn onderschat.

Het vorenstaande betekent dat het namens eiser ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. G.F. Walgemoed als leden in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2006.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) J.P. Schieveen.