Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV0794

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2006
Datum publicatie
02-02-2006
Zaaknummer
05-1680 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Korting wegens inkomsten uit vermogen. Is hier uitgegaan van de juiste berekeningsbeslissing?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1680 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 25 februari 2005, kenmerk JZ/D90/2005/0088, heeft verweerster ten aanzien van eiser uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Eiser heeft tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift met bijlagen heeft eiser aangegeven waarom hij zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 december 2005. Aldaar is eiser niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser, die is geboren [in] 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet.

Blijkens het door eiser op 26 maart 2001 ingestuurde Wuv-inlichtingenformulier 2000 is aan zijn echtgenote in 2000 een erfenis toegevallen. Bij berekeningsbeslissing van 28 februari 2003 heeft verweerster de aan eiser over het jaar 2000 toekomende uitkering definitief vastgesteld en daarbij tevens blijkens de omschrijving van deze beslissing vanaf januari 2003 een wijziging aangebracht in de korting wegens inkomsten uit vermogen. Deze berekeningsbeslissing, die aan eiser in verkorte vorm is toegezonden, gaf eiser geen uitsluitsel over de omvang van het voor de berekening van deze korting door verweerster vastgestelde vermogen. Een dergelijk uitsluitsel is aan eiser wel gegeven bij aan hem in verband met het bereiken van de leeftijd van 65 jaar toegezonden uitgebreide berekeningsbeslissing van 29 februari 2004, waaruit blijkt dat verweerster bij de berekening van de eiser toekomende periodieke uitkering en de daarop in mindering te brengen inkomsten uit vermogen uitgaat van een vermogen van € 50.420,97.

Bij berekeningsbeslissing van 30 november 2004 is de eiser over het jaar 2003 toekomende periodieke uitkering definitief vastgesteld.

Eiser heeft tegen laatst genoemde beslissing bezwaar gemaakt. Daarbij heeft hij aangevoerd dat de omvang van het vermogen op een onjuist bedrag is vastgesteld, daar verweerster hierbij naar de opvatting van eiser ten onrechte een met ingang van 1 februari 1994 vastgesteld negatief vermogen van in totaal fl. 57.821,17 buiten beschouwing heeft gelaten.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster het door eiser ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat bij de berekeningsbeslissing van 30 november 2004 met betrekking tot de hoogte van het vastgestelde vermogen geen nieuw of nader besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen.

De Raad onderschrijft het standpunt van verweerster. Naar uit het vorenstaande blijkt, is door verweerster de omvang van het voor de berekening van eisers periodieke uitkering in aanmerking te nemen vermogen eerder vastgesteld. Met verweerster is de Raad van oordeel dat op dit punt in de berekeningsbeslissing van 30 november 2004 geen nieuw of nader besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb voorligt.

De Raad kan eiser niet volgen in zijn standpunt dat verweerster zijn bezwaar tegen de vermogensvaststelling, zoals neergelegd in de berekeningsbeslissingen van 28 februari 2003 en 29 februari 2004, alsnog had moeten ontvangen omdat, naar de Raad begrijpt, hij bij deze beslissingen niet adequaat is geïnformeerd over de omvang van het vermogen. De Raad stelt vast dat in ieder geval in de berekeningsbeslissing van 29 februari 2004 de vermogensomvang duidelijk en voor eiser zonder meer kenbaar is weergegeven en dat deze beslissing aan eiser in uitgebreide vorm is toegestuurd.

Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster derhalve op goede gronden het door eiser gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit laat onverlet dat, naar door verweerster aan eiser bij begeleidend schrijven bij het bestreden besluit is meegedeeld, het eiser vrij staat bij verweerster een verzoek om herziening van het vastgestelde vermogen in te dienen.

Het vorenstaande betekent dat het beroep van eiser ongegrond verklaard moet worden.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2006.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) J.P. Schieveen.