Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV0784

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2006
Datum publicatie
02-02-2006
Zaaknummer
05-1530 WUV + 05-1529 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betrokkene is erkend oorlogsgetroffene. Zijn aan hem terecht periodieke uitkeringen en een toeslag ter verbetering van zijn levensomstandigheden, alsmede overige voorzieningen geweigerd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1530 WUV + 05/1529 WUBO

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamers Wuv en Wubo van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweersters.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Onder dagtekening 17 februari 2005, kenmerk JZ/A 70/2005/0081, respectievelijk JZ/A70/2005, hebben verweersters ten aanzien van eiser besluiten genomen ter uitvoering van respectievelijk de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wuv) en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wubo).

Tegen deze besluiten heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiser zich met de bestreden besluiten niet kan verenigen.

Verweersters hebben een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 8 december 2005. Aldaar is eiser niet verschenen, terwijl verweersters zich hebben laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

In juli 2000 heeft eiser, geboren [in] 1931 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweersters een zogenoemde samenloop aanvraag ingevolge de Wuv en de Wubo ingediend. Bij brief van 25 januari 2001 heeft eiser om hem moverende redenen verzocht de verdere behandeling van zijn aanvraag te stoppen. Aan dit verzoek hebben verweersters voldaan.

In februari 2004 heeft eiser opnieuw aanvragen ingediend om toekenning van uitkeringen, een toeslag en voorzieningen als vervolgde in de zin van de Wuv dan wel als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat hij als gevolg van zijn oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië psychische en lichamelijke klachten zou hebben gekregen welke klachten nu zijn verergerd.

Bij besluiten van 27 oktober 2004 hebben verweersters eiser erkend als vervolgde (Wuv), respectievelijk erkend dat hij is getroffen door oorlogsgeweld (Wubo). Ook is hem een voorziening in de vorm van een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer toegekend. Periodieke uitkeringen, een toeslag ter verbetering van zijn levensomstandigheden (artikel 19 van de Wubo), alsmede overige voorzieningen zijn eiser geweigerd, aangezien verweersters van mening zijn dat de bij hem bestaande psychische klachten die in verband staan met zijn vervolging en het hem overkomen oorlogsgeweld, niet geleid hebben tot een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdsgenoten (Wuv), respectievelijk tot blijvende invaliditeit (Wubo) dan wel de gevraagde voorzieningen medisch noodzakelijk of medisch sociaal wenselijk maken.

Dit oordeel hebben verweersters na gemaakt bezwaar bij de thans bestreden besluiten gehandhaafd.

Ter beantwoording staat de vraag of de bestreden besluiten, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kunnen standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Eiser blijft ook in beroep van mening dat er wel sprake is van een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdsgenoten en van blijvende invaliditeit tengevolge van het ernstige oorlogstrauma dat hij in de oorlog en de zogeheten Bersiap-tijd heeft opgelopen. Eiser verwijst daarbij naar de mening van zijn behandelend psycholoog/psychotherapeut, F.W. Kroese.

Blijkens de gedingstukken zijn verweersters standpunten in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke adviezen berusten op vanwege verweersters ingesteld onderzoek van eiser door de arts R. van Gorkum. Deze laatste heeft vastgesteld dat er bij eiser sprake is van causale psychische klachten, namelijk enige kenmerken van een PTSS, doch hij komt niet tot een diagnose en is tevens van mening dat er geen sprake is van verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdsgenoten (Wuv) en dat er evenmin sprake is van blijvende causale invaliditeit (Wubo). Voorts is geoordeeld dat de gewrichtsklachten niet in het vereiste verband met de vervolging, respectievelijk het oorlogsgeweld kunnen worden gebracht, maar duidelijk uit andere oorzaken zijn ontstaan.

De Raad acht de in de bestreden besluiten neergelegde standpunten met het vorenstaande voldoende draagkrachtig gemotiveerd. In de gedingstukken heeft ook de Raad geen aanwijzingen gevonden voor de opvatting dat de bij eiser tengevolge van de vervolging bestaande psychische klachten wel hebben geleid tot een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdsgenoten (Wuv), evenmin dat sprake zou zijn van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo. De Raad overweegt daarbij nog dat blijkens het voornoemde rapport van R. van Gorkum in de vier rubrieken van beperkingen die bepalend worden geacht voor het bestaan van invaliditeit in de zin van de Wubo (dagelijkse activiteiten, sociaal functioneren, concentratie- en doorzettingsvermogen, tempo alsmede adaptatie aan stressvolle omstandigheden) bij eiser - afgezien van het slechte nachtelijk functioneren - geen ernstige beperkingen zijn vastgesteld. Het advies van de behandelend psycholoog/psychotherapeut van eiser, F.W. Kroese, is door verweersters bij hun oordeelsvorming meegewogen en, naar

’s Raads oordeel niet ten onrechte, te licht bevonden om tot een ander standpunt te geraken. Verdere medische gegevens die in een andere richting wijzen zijn niet beschikbaar.

Gezien het vorenstaande kunnen de bestreden besluiten in rechte standhouden en dienen de ingestelde beroepen ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2006.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.