Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV0783

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2006
Datum publicatie
02-02-2006
Zaaknummer
05-1505 BPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet buitengewoon pensioen 1940-1945. Afwijzing herziening van het vastgestelde percentage invaliditeit in de zin van de Wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1505 BPW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 26 januari 2005, kenmerk 82859, heeft verweerster ten aanzien van eiseres uitvoering gegeven aan de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, hierna: de Wet.

Eiseres heeft tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift is aangevoerd waarom eiseres zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 8 december 2005. Aldaar zijn partijen niet verschenen.

II. MOTIVERING

Bij besluit van 9 augustus 1994 heeft verweerster ten aanzien van eiseres toepassing gegeven aan artikel 3 van het koninklijk besluit van 8 juli 1978 (Stb. 422) en de Wet op haar van overeenkomstige toepassing verklaard. Verweerster heeft daarbij aanvaard dat in het geval van eiseres een ernstige verstoring van levensomstandigheden tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 is opgetreden ten gevolge van het verzet van haar vader. Bij besluit van 23 december 1994 is aan eiseres met ingang van 1 december 1993 een buitengewoon pensioen ingevolge de Wet toegekend naar een invaliditeit van blijvend

60 %. Daartoe is blijkens de gedingstukken overwogen dat de psychische klachten van eiseres een invaliditeit veroorzaken van 80%, waarvan 60% moet worden toegeschreven aan de oorlogsomstandigheden en 20% duidelijk uit andere oorzaken dan de oorlogservaringen is ontstaan. Een door eiseres ingediend bezwaar tegen het voor haar vastgestelde invaliditeitspercentage is bij besluit van verweerster van 25 januari 1996 ongegrond verklaard.

In november 2002 heeft eiseres zich wegens toegenomen psychische klachten tot verweerster gewend met het verzoek om herziening van het voor haar vastgestelde percentage invaliditeit in de zin van de Wet. Dit verzoek van eiseres heeft geleid tot verweersters besluit van 13 november 2003, waarbij het percentage van de bij eiseres bestaande invaliditeit in de zin van de Wet nader is bepaald op 80. Daartoe is overwogen dat blijkens door de geneeskundig adviseur G.M. van der Molen uitgevoerd medisch onderzoek de psychische klachten van eiseres zijn toegenomen, waarbij is vastgesteld dat de algemene invaliditeit van eiseres thans 100% is, waarvan 80% verzetsgerelateerd moet worden geacht. Een door eiseres tegen dit besluit ingediend bezwaar, het invaliditeitspercentage in de zin van de Wet betreffende, is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of de voor eiseres vastgestelde mate van invaliditeit in de zin van de Wet met een percentage van 80 is ondergewaardeerd. De Raad komt tot een ontkennend antwoord op deze vraag en overweegt daartoe als volgt.

Blijkens het voorgaande heeft naar aanleiding van het door eiseres ingediende verzoek om herziening van het voor haar vastgestelde invaliditeitspercentage medisch onderzoek plaats gevonden door verweersters geneeskundig adviseur

G.M. van der Molen, die bij zijn onderzoek heeft vastgesteld dat de bij eiseres aanwezige psychische klachten zijn toegenomen in die zin dat zij verder is afgegleden in een sociaal isolement, een zeer schraal sociaal en dagelijks leven heeft en dat er sprake is van een zeer frequent nachtmerrieprobleem. De geconstateerde toename van de psychische klachten acht deze geneeskundige geheel te relateren aan de oorlogservaringen.

De Raad heeft in de voorhanden gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden om het door verweerster in navolging van haar geneeskundig adviseur ingenomen standpunt onjuist te achten. Met name voor het door eiseres ingenomen standpunt dat haar verzetsgerelateerde invaliditeit 100% bedraagt acht de Raad in de gedingstukken van medische aard geen enkele ondersteuning aanwezig. De Raad ziet hiervoor met name ook geen ondersteuning in het door de behandelend psychotherapeut dr. A. Hafkenscheid ingezonden schrijven d.d. 20 oktober 2004, waaruit blijkt dat bij eiseres de ingezette behandeling goed loopt en dat er meer progressie is opgetreden dan aanvankelijk voor mogelijk werd gehouden.

Dit betekent dat het beroep van eiseres ongegrond verklaard moet worden.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2006.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.