Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV0763

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2006
Datum publicatie
02-02-2006
Zaaknummer
05-710 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering tot erkenning als vervolgingsslachtoffer. Niet aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/710 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 30 december 2004, kenmerk JZ/Z60/2004/0856, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dat besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft eiser uiteengezet waarom hij zich met bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 december 2005. Daar is eiser niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in januari 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend om erkenning als vervolgde in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering.

Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 4 augustus 2004, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit op de grond - kort gezegd - dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.

Eiser heeft in beroep als ook in bezwaar aangevoerd dat hij, gelijk zijn tweelingbroer [naam tweelingbroer], dient te worden erkend als vervolgde wegens verblijf in het Tjiboenoetkamp te Bandoeng tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Ingevolge artikel 2 van de Wet wordt, voor zover hier van belang, onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen welke tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 door de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing, hun Europese afkomst of Europees gezindheid en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd.

Volgens vaste rechtspraak dient de gestelde vrijheidsberoving voldoende aangetoond of aannemelijk te zijn.

De Raad is met verweerster van oordeel dat de voorhanden zijnde gegevens geen aanknopingspunt bieden om te kunnen aanvaarden dat eiser tijdens de Japanse bezetting vrijheidsberoving in de zin van de Wet heeft ondergaan. Hierbij acht de Raad doorslaggevend dat uit de door de ouders van eiser in 1975 respectievelijk 1976 gedane aanvragen in het kader van de Wet niet blijkt dat zij tijdens de Japanse bezetting internering hebben ondergaan. Voorts laat de Raad meewegen dat uit de verklaringen van met name de oudere broer van eiser, [naam oudere broer], en de zuster van eiser, [naam zuster], blijkt dat de woning aan de Natunaweg buiten het Tjiboenoetkamp heeft gelegen. De Raad neemt daarbij tot uitgangspunt de omgrenzing van dit kamp zoals deze blijkt uit de bij de door verweerster gehanteerde zogenoemde kampenlijst behorende kaart.

Voorzover eiser een beroep heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel nu zijn broer [naam broer] wel is erkend op basis van een verblijf in het Tjiboenoetkamp overweegt de Raad dat dit beroep niet kan slagen aangezien het voor de Raad op grond van de voorhanden zijnde stukken en de namens verweerster daaromtrent ter zitting gegeven toelichting, voldoende vast staat dat de erkenning van de broer van eiser berust op een misslag.

Voor vernietiging van het bestreden besluit bestaat derhalve geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2006.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) J.P. Schieveen.