Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV0755

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2006
Datum publicatie
02-02-2006
Zaaknummer
05-276 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WUV-nabestaande-uitkering geweigerd ten aanzien van weduwe vervolgde. Haar lidmaatschap Nederlandsche Arbeidsfront staat hieraan in de weg. Onwaardig gedrag.

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 5
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/276 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 30 november 2004, kenmerk JZ/C60/2004/0789, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom zij het met het bestreden besluit niet eens is.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 december 2005. Aldaar is voor eiseres verschenen H.G.C. Engels, wonende te Sint-Odiliƫnberg, als haar gemachtigde. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Bij besluit van 9 juni 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster aan eiseres, als weduwe van de vervolgde [naam echtgenoot], die is overleden [in] 2003, op grond van het bepaalde in artikel 5, tweede lid in samenhang met het vierde lid, van de Wet uitkering geweigerd.

Verweerster heeft daartoe overwogen - samengevat - dat op grond van de aanwezige gegevens is komen vast te staan dat eiseres tijdens de vijandelijke bezetting van Nederland gedurende een periode het lidmaatschap van het Nederlandsche Arbeidsfront (NAF) heeft vervuld, hetgeen dient te worden beschouwd als onwaardig gedrag als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Ingevolge artikel 5, vierde lid in samenhang met het tweede lid, van de Wet komt voor een uitkering niet in aanmerking de nabestaande van de vervolgde die zich tijdens de vijandelijke bezetting uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen.

Aan verweersters besluit liggen ten grondslag de gegevens uit een dossier in het Centraal Archief der Bijzondere Rechtspleging (CABR) ten name van eiseres, waaruit naar voren komt dat eiseres, die is geboren in augustus 1920, enige tijd werkzaam is geweest bij de [naam werkgever] te [vestigingsplaats] en dat zij daar de functie van sociale voorvrouw vervulde. Uit die stukken blijkt voorts dat van de 29 personeelsleden er 27 lid waren van het NAF en dat de directie van het bedrijf met die organisatie samenwerkte.

Eiseres is middels sepot onvoorwaardelijk buiten vervolging gesteld.

Van de kant van eiseres is aangevoerd dat het CABR-dossier geen enkel door haar geschreven of ondertekend stuk bevat, dat het geen aanmelding of aanvangsdatum als lid van het NAF bevat, geen melding van contributiebetaling of van deelname aan vergaderingen of andere activiteiten en dat het voor haar onbegrijpelijk is dat haar op basis van dit zeer beperkte dossier wegens lidmaatschap van het NAF onwaardig gedrag verweten wordt.

Als zij is aangemeld, aldus eiseres, is dat zonder haar medeweten en zonder haar goedkeuring gebeurd.

Zij wijst er ook op dat uit jurisprudentie blijkt dat lidmaatschap van het NAF niet noodzakelijkerwijs grond is voor onwaardig verklaring.

Namens verweerster is ter zitting meegedeeld dat er bij haar geen twijfel bestaat dat met de in de CABR-stukken genoemde mejuffrouw [naam eiseres] eiseres wordt bedoeld en dat er in dit geval meer aan de hand is geweest dan een passief lidmaatschap van een nationaal-socialistische organisatie.

Met verweerster is de Raad van oordeel dat uit de stukken van het CABR-dossier blijkt dat eiseres lid en sociale voorvrouw is geweest van het NAF en dat hetgeen zij aanvoert het tegendeel niet meebrengt.

Van de kant van eiseres is nog de mogelijkheid geopperd dat de directeur van de [naam werkgever] het gehele personeel heeft aangemeld en eiseres vanwege een voorletter aan het begin van het alfabet als voorvrouw is aangemeld. Daar pleit tegen dat er sprake is van tenminste twee werknemers die geen lid waren en zich dus hebben weten te onttrekken aan een eventueel verplicht lidmaatschap. Uit de stukken, waaronder een brief waarin zij meedeelt de taak van sociale voorvrouw te willen neerleggen omdat zij zich onvoldoende geschikt en in staat achtte die taak te vervullen, een en ander met de verzekering dat zij het NAF steeds een warm hart blijft toedragen, blijkt tevens dat eiseres die taak heeft vervuld. Dat eiseres wellicht niet eigenhandig die brief heeft geschreven wil niet zeggen dat die niet van haar afkomstig was.

De Raad is dan ook van oordeel dat verweerster op goede gronden heeft bepaald dat eiseres niet in aanmerking komt voor een uitkering als nabestaande van de vervolgde.

De Raad merkt hierbij op dat het onwaardig verklaren van eiseres als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet uitsluitend betekenis heeft voor de uitvoering van de Wet. In het kader van de toepassing van de Wet is het, gezien de bijzondere solidariteit ten opzichte van degenen voor wie de Wet is bedoeld, niet verantwoord om diegenen die deel hebben uitgemaakt van het nationaal-socialistisch apparaat, toe te laten tot die Wet samen met degenen die nu juist daaronder hebben geleden.

Uit hetgeen hierboven is overwogen volgt dat het bestreden besluit moet worden gehandhaafd en het door eiseres ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2006.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.