Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV0746

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2006
Datum publicatie
01-02-2006
Zaaknummer
05-224 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing tot erkenning als oorlogsslachtoffer. Niet gebleken dat betrokkene tijdens de oorlogsjaren extreem afwijkende omstandigheden heeft meegemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2006, 342
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/224 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 16 december 2004, kenmerk JZ/T60/2004/0834, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft daarop schriftelijk gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 24 november 2005. Aldaar is eiseres, met voorafgaand bericht, niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres, geboren in 1940, heeft in augustus 1999 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering ingevolge de Wet. Dienaangaande heeft eiseres met name aangevoerd dat zij psychische klachten heeft gekregen als gevolg van de omstandigheden waarin zij tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 vanwege door haar moeder tegen de Duitse bezetter gepleegd verzet heeft moeten leven.

Deze aanvraag heeft verweerster bij besluit van 20 oktober 1999 afgewezen, onder overweging dat de omstandigheden waaronder eiseres de oorlogsjaren 1940-1945 heeft meegemaakt niet onder het begrip vervolging kunnen worden gebracht, nu niet is gebleken dat eiseres als gevolg van handelingen van de Duitse bezetter van haar vrijheid beroofd is geweest of ondergedoken heeft gezeten. Voorts heeft verweerster in de aangevoerde omstandigheden geen aanleiding gezien om eiseres met toepassing van de in artikel 3, tweede lid, van de Wet vervatte uitzonderingsbepaling met de vervolgde gelijk te stellen.

Tegen dit besluit heeft eiseres geen bezwaarschrift ingediend, zodat dit tussen partijen rechtens verbindend is geworden.

Bij schrijven van 29 april 2004 heeft eiseres zich tot verweerster gewend met een aanvraag om haar alsnog met de vervolgde gelijk te stellen en voor een uitkering op grond van de Wet in aanmerking te brengen. Zij heeft hierbij, mede onder verwijzing naar bij de Stichting 1940-1945 aanwezige gegevens, aangegeven dat ook haar vader en diens familie aan het verzet tegen de Duitse bezetter hebben deelgenomen en dat haar vader in verband hiermee vervolging heeft ondergaan. Zijn rol en de daaruit voor haar voortvloeiende gevolgen zijn bij de eerdere beoordeling onderbelicht gebleven, aldus eiseres.

Verweerster heeft ten behoeve van de beoordeling van deze aanvraag van eiseres gegevens opgevraagd bij de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad, zijnde het uitvoeringsorgaan van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (WBP). Naar aanleiding van dit verzoek zijn door deze raadskamer gegevens toegezonden over de aanvragen om toekenning van een buitengewoon pensioen ingevolge de WBP van de moeder van eiseres en van eiseres zelf.

Vervolgens heeft verweerster de aanvraag van eiseres afgewezen bij besluit van 22 juli 2004, onder overweging - samengevat - dat geen aanleiding bestaat om het over de eerdere aanvraag van eiseres genomen besluit te herzien, nu van relevante nieuwe gegevens of gewijzigde omstandigheden niet is gebleken en ook de voorhanden gegevens over het oorlogsverleden van de vader van eiseres geen blijk geven van omstandigheden die kunnen leiden tot toepassing van de uitzonderingsbepaling.

In bezwaar tegen dit besluit heeft eiseres aangevoerd dat haar vader verzetswerk heeft verricht en gevangen heeft gezeten in het PDL Amersfoort en te Essen in Duitsland, zodat ten aanzien van hem van vervolging dient te worden gesproken. Voorts is gesteld dat het op de weg van verweerster ligt om, bij eventueel onvoldoende informatie over vader, nader onderzoek te verrichten.

Dit bezwaar heeft verweerster bij het nu bestreden besluit ongegrond verklaard, onder overweging dat niet alsnog is gebleken dat eiseres tijdens de oorlogsjaren extreem afwijkende omstandigheden heeft meegemaakt zoals het meemaken van excessief geweld van de Duitse bezetter jegens haar vader of het na de oorlog niet terugkeren van vader in het gezin.

In beroep tegen dit laatste besluit heeft eiseres onder handhaving van haar eerdere grieven gesteld dat zij ter ondersteuning van haar aanvraag gegevens over haar vader had ingebracht en dat het op de weg van verweerster had gelegen om hiernaar verder onderzoek te doen.

De Raad overweegt het volgende.

Gelet op de inhoud van het bestreden besluit, en de daarop namens verweerster ter zitting van de Raad gegeven toelichting, stelt de Raad vooreerst vast dat verweerster in verband met de door eiseres bij haar huidige aanvraag alsnog aangevoerde omstandigheden over haar vader tot een nieuwe, inhoudelijke behandeling en beoordeling is gekomen van de

- ook bij de behandeling en beoordeling van de eerdere aanvraag van eiseres al spelende - vraag of sprake is van omstandigheden die kunnen leiden tot de gelijkstelling van eiseres met de vervolgde in de zin als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet.

Ook de Raad acht de door eiseres bij haar huidige aanvraag aangevoerde omstandigheden in die mate te onderscheiden van het bij de eerdere aanvraag beoordeelde feitencomplex dat in wezen niet, althans niet geheel, gesproken kan worden van een verzoek om herziening van het eerdere besluit in de zin als bedoeld in artikel 61, tweede lid, van de Wet; nog daargelaten dat verweerster ook in het kader van genoemd artikel alleszins gerechtigd is om tot een nieuwe beoordeling van bij eerdere aanvragen al behandelde kwesties te komen.

Gezien een en ander staat de Raad ten volle ter beoordeling of verweerster haar besluit tot afwijzing van de huidige aanvraag naar behoren heeft voorbereid en gemotiveerd.

De Raad beantwoordt die vraag op de navolgende gronden ontkennend.

Ter zitting van de Raad is namens verweerster uiteengezet dat bij haar beoordeling van de vraag of tot gelijkstelling met de vervolgde kan worden gekomen - naast de al in het bestreden besluit genoemde factoren - de volgende factoren een rol kunnen spelen:

- het meemaken van het wegvoeren van de ouder (zonder excessief geweld);

- het meemaken van het wegvoeren van andere familieleden;

- het meemaken van razzia’s en vergelijkbare maatregelen;

- het meemaken van huiszoekingen;

- het in huis hebben van joodse onderduikers;

- het hebben van duidelijke problemen gedurende het gehele leven vanaf de oorlog (op het terrein van opleiding, werk en relaties) die kunnen worden toegeschreven aan de omstandigheden gedurende de oorlogsjaren.

Om voor gelijkstelling in aanmerking te komen behoeven niet al deze factoren aanwezig te zijn maar moet sprake zijn van tenminste twee van deze factoren, terwijl ook de ernst en de zwaarte van deze factoren in aanmerking wordt genomen. Ten aanzien van eiseres staat al vast dat sprake is geweest van het in huis hebben van joodse onderduikers, aldus verweerster.

Mede gelet op deze uiteenzetting is de Raad, in aanmerking genomen dat eiseres bij haar aanvraag door verwijzing naar bij de Stichting 1940-1945 aanwezige gegevens over haar vader en zijn familie een begin van bewijs had geleverd over een mogelijk verzetsver-leden van haar vader en de daarvan ondervonden gevolgen, van oordeel dat verweerster ten onrechte niet een specifiek nader onderzoek ter zake heeft doen instellen. Bij dit onderzoek had immers mogelijk nader uitsluitsel over de aanwezigheid van een of meer van de in bovenvermelde lijst opgenomen factoren verkregen kunnen worden. In dat verband is van belang dat de wel van de Raadskamer WBP verkregen gegevens over de moeder van eiseres - die ten tijde van dat onderzoek reeds zeer geruime tijd van de vader van eiseres was gescheiden - uitsluitend zijn toegespitst op haar, voor de toepassing van de WBP erkende, rol in het verzet.

Verder acht de Raad onjuist - en onbegrijpelijk - dat verweerster bij de behandeling van de huidige aanvraag genoegen heeft genomen met de duidelijk onvolledige, van de Raadskamer WBP verkregen gegevens over de door eiseres bij die raadskamer ingediende aanvraag om toekenning van een buitengewoon pensioen, waarbij evenzeer de door haar bij opleiding, werk en relaties ondervonden gevolgen van het verzet van haar ouders aan de orde waren. Zo ontbreken in ieder geval het op die aanvraag genomen besluit en het rapport van het ter voorbereiding daarvan naar de gevolgen van het verzet vanwege die raadskamer gebruikelijk - naar de Raad uit vele gedingen over dit aspect bekend is - ingestelde onderzoek door een geneeskundig adviseur/arts. Aangezien bij die gevolgen medische aspecten een rol spelen acht de Raad zodanig onderzoek door een geneeskundig adviseur bepaald ook aangewezen.

Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit niet in stand worden gelaten.

De Raad is niet gebleken van kosten, aan de zijde van eiseres gevallen, welke voor vergoeding op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in aanmerking komen.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit zal nemen met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiseres het in dit geding betaalde griffierecht ad € 35,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2006.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.

HD

15.12