Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV0744

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2006
Datum publicatie
01-02-2006
Zaaknummer
05-696 WUBo
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluit tot afwijzing tegemoetkoming in de aanschafkosten van een auto berust niet op deugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/696 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 30 december 2004, kenmerk JZ/I/70/2004, ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna te noemen: de Wet).

Eiser is tegen dit besluit bij de Raad in beroep gekomen. In het beroepschrift heeft eiser aangegeven waarom hij zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft daarop gereageerd bij brief van 30 juni 2005, waarna op 27 juli 2005 nog een schrijven is binnengekomen van G. de Poorter, arts-assistent psychiatrie verbonden aan het Sinai Centrum te Amersfoort.

Desgevraagd heeft verweerster de Raad bij brief van 12 september 2005 een reactie op dat schrijven doen toekomen van haar geneeskundig adviseur A.M. Koop.

Hierop heeft eiser van zijn kant nog gereageerd bij brief van 22 september 2005.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 december 2005. Aldaar is eiser in persoon verschenen. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser, geboren in 1939 te [woonplaats], is op grond van psychische oorlogsinvaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. In dat verband is hem onder meer ingaande 1 augustus 2001 vergoeding toegekend van de kosten verbonden aan vervoer voor het onderhouden van sociale contacten, omdat hij als gevolg van zijn psychische klachten buiten staat werd geacht om normaliter van het openbaar vervoer gebruik te maken.

In maart 2004 heeft eiser bij verweerster een aanvraag ingediend om een vergoeding van dan wel tegemoetkoming in de aanschafkosten van een auto.

Deze aanvraag heeft verweerster bij besluit van 12 augustus 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, afgewezen op de grond dat er voor deze voorziening geen medische noodzaak is op grond van eisers psychische oorlogsinvaliditeit. Verweerster heeft daarbij in het bijzonder overwogen dat er bij eiser geen sprake is van zodanig ernstige beperkingen op grond van zijn psychische oorlogsinvaliditeit dat hij geen gebruik kan maken van de taxi of openbaar vervoer. Evenmin is er volgens verweerster sprake van een medisch sociale wenselijkheid voor toekenning van een tegemoetkoming in de kosten voor de aanschaf van een auto.

Eiser kan zich met dat besluit niet verenigen. Zijns inziens berust dit besluit op een onjuiste feitelijke grondslag dan wel een onjuiste inschatting van de bij hem bestaande klachten. Ter ondersteuning van zijn standpunt verwijst eiser onder meer naar het schrijven van G. de Poorter voornoemd van 26 juli 2005.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Naar aanleiding van eisers aanvraag heeft de geneeskundig adviseur van verweerster, de arts P. Windels, informatie ingewonnen bij eisers huisarts en bij het Sinai Centrum. Uit die informatie kwam naar voren dat eiser vanwege paniekaanvallen en claustrofobische klachten noch zelfstandig noch met begeleiding in staat is om met het openbaar vervoer te reizen, omdat er in deze context teveel onvoorspelbare factoren zijn (veel onbekende mensen samen, een onbekende aan het stuur, angst om dood te gaan, angst om niet tijdig te kunnen vluchten, angst om een paniekaanval te krijgen). Het gebruik van een taxi zou wel haalbaar zijn vanwege het persoonlijk contact met de chauffeur en het onmiddellijk kunnen uitstappen.

In bezwaar tegen dit besluit heeft eiser aangevoerd dat hij van zijn angstklachten alleen geen last heeft als hij zelf rijdt en dat zelfs een bekende achter het stuur voor hem een onoverkomelijk probleem oplevert. In zijn contact met G. de Poorter is dat volgens eiser mogelijk niet duidelijk aan de orde geweest, in verband waarmee hij verzocht heeft nadere inlichtingen in te winnen bij deze arts.

Eiser is vervolgens onderzocht door een geneeskundig adviseur van verweerster, de arts R. van Gorkum. Deze signaleert in zijn advies van 23 december 2004 bij eiser een zeer sterke vermijding ten opzichte van het gebruik van openbaar vervoer en taxi. Hij vermeldt voorts dat eiser wel goed in staat is zelfstandig boodschappen te doen in een supermarkt en dat hij ook heeft aangegeven dat hij graag naar plaatsen gaat zoals een schouwburg of zelfs het Circustheater te Scheveningen. Gezien het ontbreken van een anamnese waaruit blijkt dat er bij gebruik van openbaar vervoer sprake is van ernstige fobische klachten en paniekgevoelens en het feit dat eiser in staat is zich te bevinden in ruimten waarin bijvoorbeeld veel meer mensen aanwezig zijn dan in een bus of een trein kan zijns inziens niet worden geconcludeerd dat er een totale beperking bestaat voor het openbaar vervoer. Daarnaast, aldus de geneeskundig adviseur, zijn ook de klachten die eiser ondervindt wanneer hij meerijdt in een auto (klachten van misselijkheid en hoofdpijn) niet dermate ernstig dat gesteld kan worden dat hij op grond van causale klachten niet in staat moet worden geacht gebruik te maken van een taxi.

De geneeskundig adviseur heeft geen informatie meer ingewonnen bij G. de Poorter.

Eiser toont zich gegriefd door de vermelding door de geneeskundig adviseurs dat hij de supermarkt bezoekt en graag verblijft op plaatsen waar veel mensen zijn, zoals de schouwburg of het Circustheater. Hij merkt op dat onder de anamnese in het rapport van Van Gorkum staat vermeld dat hij dat laatste graag zou doen, maar vanwege zijn klachten nimmer heeft gedaan.

De Raad voegt daar aan toe dat eiser ook heeft aangegeven dat hij nooit in drukke winkels komt en dat het bezoeken van “de AH in het dorp” op zich niet wijst op het graag verblijven op plaatsen waar veel mensen zijn. Overigens kan uit de anamnese, zoals die in het rapport van Van Gorkum is weergegeven, worden opgemaakt dat voor eiser met name van belang is dat hij kan vluchten.

In het hierboven in rubriek I vermelde schrijven van 26 juli 2005 verklaart G. de Poorter aansluitend op de eerdere verklaring van 7 juli 2004 dat vervoer per taxi voor eiser vanuit psychisch oogpunt gecontraïndiceerd is. Aangegeven wordt dat bij nader doorvragen blijkt dat eiser ook paniekaanvallen krijgt als hij meerijdt in een taxi of bij iemand anders in de auto. Het gevoel zelf geen controle te hebben over de situatie en niet te kunnen wegvluchten resulteert in paniekaanvallen. Vermeld wordt dat het eerder gegeven antwoord op vraag 3, of de behandelaar eiser in staat acht om van taxivervoer gebruik te maken, niet correct lijkt te zijn deels door het gevolg van een niet correcte inschatting van de kant van de behandelaar, deels door het niet precies toelichten van eisers kant.

Van de kant van verweerster wordt in reactie op de nadere verklaring van De Poorter door de geneeskundig adviseur opgemerkt, dat er geen aanwijzingen zijn voor agorafobische klachten, dat er geen exposure in vivo is en dat hij zelf heeft aangegeven dat er geen paniekaanvallen zijn. Er zijn klachten die echter mede gezien het activiteitenpatroon niet zodanig ernstig zijn dat taxivervoer niet mogelijk zou zijn.

Dat de behandelaar na de bezwaarfase aangeeft een verkeerd antwoord te hebben gegeven op vraag 3 doet, aldus de geneeskundig adviseur, niet af aan de eerdere conclusie dat er geen totale openbaar vervoer beperking is. Het schrijven van 26 juli 2005 moet in de opvatting van verweerster worden beschouwd als een welwillendheidsverklaring.

Naar het oordeel van de Raad moet, gelet op hetgeen hierboven is overwogen worden vastgesteld dat verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseur, bij het nemen van haar besluit is uitgegaan van een onjuist activiteitenpatroon van eiser en dat door de behandelend arts de informatie, waarop het advies van de geneeskundig adviseur van verweerster mede berust, niet langer wordt gehandhaafd om redenen welke de Raad niet ongenoegzaam acht.

De Raad is derhalve van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke motivering. Het besluit kan dan ook wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet in stand blijven.

De Raad ziet, ten slotte, termen aanwezig om verweerster te veroordelen in de proceskosten van eiser, die de Raad begroot op € 12,96 als reiskosten van eiser. De Raad is niet gebleken van andere kosten die, met in achtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht, in de veroordeling kunnen worden betrokken.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat verweerster aan eiser het in dit geding betaalde griffierecht ad € 35,- vergoedt, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser, ad €12,96, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2006.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) J.P. Schieveen.

HD

16.12