Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV0488

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2006
Datum publicatie
27-01-2006
Zaaknummer
04/5582 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijwillig ontslag uit oude functie. Niet-ontvankelijk verklaard in bezwaar tegen weigering nieuwe aanstelling.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:4
Algemene wet bestuursrecht 8:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5582 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [naam regio], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aan gevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 augustus 2004, nr. 03/1940 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 december 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. L.J.J. van Asseldonk-Hamers, advocaat te Breda. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. E.J. Overgaauw, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is in 1994 door gedaagde benoemd tot [naam functie1]. In 1997 is hij overgeplaatst naar de functie van [naam functie 2]. Het overplaatsingsbesluit is door gedaagde na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 juni 1998. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht. Tevens heeft hij een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de president van die rechtbank, welk verzoek is afgewezen.

1.2. Hangende die bodemprocedure heeft gedaagde appellant desgevraagd eervol ontslag verleend ingaande 1 april 2000, zodat appellant in dienst kon treden bij de politieregio [naam regio 2]. De rechtbank Dordrecht heeft op 17 november 2000 het beroep in eerdergenoemde bodemprocedure gegrond verklaard, het bestreden besluit van 11 juni 1998 vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

1.3. Bij brief van 30 juli 2001 heeft appellant gedaagde verzocht hem terug te plaatsen in zijn oude functie. Gedaagde heeft bij besluit van 17 mei 2002 dit verzoek om terugplaatsing afgewezen, met als motivering dat appellant geheel vrijwillig ontslag had genomen en dus net als ieder ander die van buiten het regiokorps komt, diende te solliciteren, alvorens eventueel in dienst genomen te worden. Gedaagde heeft dit besluit na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit van

13 november 2002.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat gedaagde het bezwaar van appellant ten onrechte gedeeltelijk ongegrond heeft verklaard, en heeft het bezwaar alsnog in zijn geheel niet-ontvankelijk verklaard.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep beroepen op bijzondere omstandigheden, die er toe zouden moeten leiden dat zijn beroep tegen de gehandhaafde weigering hem terug te plaatsen in zijn oude functie van hoofdmedewerker recherche ondanks het ontbreken van een actueel dienstverband met gedaagde, ontvankelijk was.

3.2. Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan - voorzover hier van belang - tegen een besluit, inhoudende de weigering tot benoeming of aanstelling, uitsluitend beroep worden ingesteld door een ambtenaar als zodanig. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad is voor die hoedanigheid van “ambtenaar als zodanig” in het algemeen vereist dat de ambtenaar in een ambtelijke rechtsverhouding werkzaam is bij het desbetreffende bestuursorgaan. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden heeft de Raad incidenteel een uitzondering aanwezig geacht op dit algemene uitgangspunt. Dit geding spitst zich toe op de vraag of hier sprake is van zulke bijzondere omstandigheden.

4.2. Appellant heeft in dit verband gewezen op de onder 1.2. vermelde uitspraak van de rechtbank Dordrecht van

17 november 2000, waarbij het besluit betreffende overplaatsing van appellant is vernietigd en gedaagde is opgedragen een nieuw besluit te nemen.

4.3. De Raad is echter van oordeel dat de omstandigheden in het onderhavige geval niet op één lijn zijn te stellen met die in de eerder door de Raad aanvaarde uitzonderingsgevallen. In die gevallen was het ontbreken van een ambtelijke rechtsverhouding met het desbetreffende bestuursorgaan het gevolg van omstandigheden die niet aan de ambtenaar waren toe te rekenen. In dit geval kan er niet aan voorbij worden gezien dat appellant, reeds voordat de rechtbank Dordrecht uitspraak deed in de bodemprocedure, zelf ontslag had gevraagd en gekregen uit zijn functie bij gedaagde. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de perikelen rond zijn overplaatsing mogelijk wel een rol hebben gespeeld bij zijn ontslagname, maar dat niet gezegd kan worden dat het ontslagverzoek een direct gevolg van het besluit tot overplaatsing is geweest. De Raad merkt hierbij op, dat appellant blijkens de gedingstukken destijds - naast teleurstelling in de politieregio [naam regio] - ook andere motieven heeft genoemd voor zijn ontslagname, zoals het vinden van nieuw élan in de politieregio [naam regio 2], het feit dat hij daar ook woonachtig was en de verwachting dat hij het daar een stuk rustiger zou krijgen. Dat appellant in zijn verwachtingen ten aanzien van deze laatste politieregio is teleurgesteld, heeft ongetwijfeld een rol gespeeld bij zijn wens tot terugkeer naar de onderhavige politieregio.

4.4. Ook het gegeven dat appellant eerst geruime tijd na ontvangst van de rechterlijke uitspraak van november 2000 bij gedaagde om terugkeer naar zijn oude functie heeft gevraagd duidt niet op een direct verband van het ontslagbesluit met de ongewenste overplaatsing. Het ter zitting aangevoerde argument, dat appellant na de uitspraak in afwachting was van een initiatief van gedaagde, heeft de Raad niet kunnen overtuigen. Het had dan ook in de rede gelegen dat appellant, die over rechtskundige bijstand beschikte, bezwaar had gemaakt tegen het uitblijven van een nieuw besluit van gedaagde.

4.5. Samenvattend deelt de Raad de conclusie van de rechtbank, dat gelet op de omstandigheden van dit geval appellants beslissing om ontslag te vragen voor zijn rekening en risico komt, en dat hij zich door die in vrijheid genomen beslissing de mogelijkheid heeft ontnomen met vrucht een beroep te doen op de latere vernietiging van het overplaatsingsbesluit.

4.6. Appellant heeft voorts nog betoogd dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, nu een collega die in nagenoeg dezelfde omstandigheden verkeerde als hij wel van gedaagde een - overigens niet aanvaard - aanbod tot terugkeer heeft gekregen. Deze grief slaagt echter niet, waar het hier een collega betrof die steeds in dienst is gebleven bij gedaagdes politieregio. Er is derhalve gelet op het cruciale punt van de vrijwillige ontslagname van appellant sprake van ongelijke omstandigheden.

4.7. Ook de grief dat het vertrouwensbeginsel is geschonden treft naar het oordeel van de Raad geen doel. Aan de brief van gedaagde van 27 november 2001, waarin appellant werd uitgenodigd voor een persoonlijk onderhoud om de redenen van zijn eventuele terugkeer te bespreken, kan appellant redelijkerwijs niet de rechtens te honoreren verwachting ontlenen, dat hij (zonder meer) zou kunnen terugkeren. Mede gelet op de gekozen bewoordingen had appellant moeten begrijpen dat gedaagde een verkennend gesprek beoogde.

4.8. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2006.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) P.J.W. Loots.