Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AV0059

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2006
Datum publicatie
23-01-2006
Zaaknummer
05/507 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum toekenning van bijstandsuitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

05/507 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant heeft mr. dr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2004, reg.nr. 03/1257 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 6 december 2005, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. MOTIVERING

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 18 maart 2002 is appellants uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 28 februari 2002 beƫindigd, omdat hij langer dan de toegestane periode in het buitenland heeft doorgebracht. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

Na terugkeer van zijn verblijf in het buitenland heeft appellant zich op 25 april 2002 gemeld bij gedaagde en vervolgens op 26 april 2002 en 6 mei 2002 bij de lokale vestiging van de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: het CWI) in verband met een nieuwe aanvraag om bijstand met ingang van 1 maart 2002. Bij besluit van 23 juli 2002 heeft gedaagde aan appellant een uitkering toegekend met ingang van 6 mei 2002.

Bij besluit van 4 februari 2003 heeft gedaagde het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 23 juli 2002 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 4 november 2003 heeft gedaagde alsnog het door appellant gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de ingangsdatum van de uitkering nader bepaald op 25 april 2002.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 februari 2003 met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht mede gericht geacht tegen het nadere besluit van 4 november 2003 en heeft vervolgens - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep voorzover gericht tegen het besluit van 4 februari 2003 niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard.

Appellant heeft in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank gemotiveerd bestreden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad merkt allereerst op dat in hoger beroep slechts de vraag aan de orde is of gedaagde de uitkering van appellant terecht niet eerder dan per 25 april 2002 heeft in laten gaan. Dit betekent dat voorzover de grieven van appellant zich richten tegen de beƫindiging van zijn uitkering per 28 februari 2002, deze in het kader van de onderhavige hoger beroepsprocedure niet aan de orde kunnen komen.

Naar vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van artikel 67 van de Abw - die zijn gelding heeft behouden ook na inwerkingtreding van artikel 68a van de Abw (zie de uitspraak van de Raad van 8 maart 2005: LJN AT0209) - wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

De Raad stelt vast dat appellant niet eerder dan op 25 april 2002 een uitkering heeft aangevraagd. Noch uit de reeds in eerste aanleg overgelegde verklaring van 4 maart 2002 van een door appellant geraadpleegde huisarts in Suriname, noch uit de verklaring van 15 maart 2002 van de aldaar geconsulteerde psychiater drs. R.M. Dwarkasing, is de Raad gebleken dat appellant wegens zijn psychische gesteldheid buiten staat was eerder naar Nederland terug te keren dan wel dat appellant anderszins een gegronde reden voor latere indiening had. Gedaagde heeft dan ook de ingangsdatum op goede gronden op 25 april 2002 gesteld.

Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2005.

(get.) H.J. de Mooij.

(get.) P.E. Broekman.