Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AU9654

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2006
Datum publicatie
16-01-2006
Zaaknummer
04/1939 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dienstongeval. Verzoek om schadevergoeding. Zorgplicht werkgever.

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 69
Algemeen Rijksambtenarenreglement 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2006/268
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/1939 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Justitie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 8 maart 2004, nr. 03/630 BESLU K1, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben ieder een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 24 november 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. K. de Meij, advocaat te Eindhoven. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Wagenaar-Meijer, werkzaam bij het Ministerie van Justitie, en J.H.T. Bertelink, werkzaam bij de Penitentiaire Inrichting [standplaats].

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sedert 1986 penitentiair inrichtingswerker (piw'er) bij de Half Open Penitentiaire Inrichting [standplaats]. Op 5 januari 1998 heeft een gedetineerde op deze afdeling amfetamine door de koffie gemengd. Appellant heeft tijdens overleg met collega's op de teamkamer van die koffie gedronken. Hij is daarvan ernstig ziek geworden en moest naar het ziekenhuis worden overgebracht. Na dit incident kreeg appellant psychische klachten en is bij hem een posttraumatische stress-stoornis (PTSS) vastgesteld. Zijn werkzaamheden als piw'er heeft hij niet kunnen hervatten. Gedaagde heeft hem met behoud van salarisschaal geplaatst in een functie als facilitair medewerker.

1.2. Bij brief van 30 september 2002 heeft appellant gedaagde verzocht om vergoeding van alle ten gevolge van het incident geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade. Gedaagde heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van 8 oktober 2002, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 29 april 2003.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

2. Appellant heeft zijn verzoek om schadevergoeding mede gebaseerd op de stelling dat sprake is van een "dienstongeval" als bedoeld in de artikelen 35 en volgende van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Ter zitting heeft hij desgevraagd verklaard dat geen schade voor zijn rekening is gebleven die op grond van die rechtspositionele voorschriften voor vergoeding in aanmerking komt. De toepassing van deze bepalingen is daarom niet meer aan de orde.

3. Appellant verlangt vergoeding van inkomensschade (carrièreschade) en immateriële schade (smartengeld), waarin de rechtspositionele voorschriften niet voorzien. Hij beroept zich daartoe op de norm die door de Raad is neergelegd in zijn uitspraak van 22 juni 2000 (LJN AB0072, TAR 2000, 112 en JB 2000/232).

3.1. Deze norm, die de Raad ook tot uitdrukking gebracht ziet in artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek, luidt als volgt: voorzover zulks niet reeds voortvloeit uit op de ambtenaar van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften, heeft de ambtenaar recht op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten, alsmede voor het verrichten van die werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

3.2. Gelet op de omstandigheden van het geval, zoals onder 1.1. omschreven, staat voor de Raad buiten twijfel dat het incident van 5 januari 1998 appellant is overkomen in de uitoefening van zijn werkzaamheden als piw'er.

3.3. Derhalve rijst de vraag of gedaagde jegens appellant zijn onder 3.1. bedoelde zorgplicht is nagekomen. De Raad overweegt hieromtrent als volgt.

3.3.1. De stelling van gedaagde dat door middel van preventieve maatregelen zoals fouillering, visitaties, celinspecties en urinecontroles al het mogelijke wordt gedaan om drugs uit de inrichting te weren, is door appellant niet (genoegzaam) weersproken. Appellant is vooral van mening dat gedaagde te kort schiet bij het treffen van maatregelen om binnen de inrichting bescherming te bieden tegen het toenemende gevaar van agressie van de zijde van gedetineerden. Een incident als het onderhavige had zijns inziens kunnen worden voorkomen door een strikte(re) scheiding van de voedselcircuits voor gedetineerden en personeel. Meer in het bijzonder zou het incident zich niet hebben voorgedaan indien tijdig was voorzien in vervanging van het kapotte koffiezetapparaat in de teamkamer van de piw'ers, die voor gedetineerden niet toegankelijk is.

3.3.2. De Raad stelt voorop dat de zorgplicht van gedaagde niet op voorhand strekt tot het uitbannen van ieder denkbaar risico, maar tot het treffen van alle maatregelen die in de gegeven situatie redelijkerwijs van gedaagde kunnen worden gevergd om de veiligheid van het personeel te waarborgen. Daarbij dient de keuze van gedaagde voor het halfopen inrichtingsregime als uitgangspunt te worden aanvaard. Dit regime staat onder meer ten dienste van het strafdoel resocialisatie en is door appellant op zichzelf niet ter discussie gesteld.

3.3.3. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting wordt het halfopen regime hierdoor gekenmerkt, dat de gedetineerden zich vrij mogen bewegen binnen de voor hun groep bestemde gemeenschappelijke ruimte, dat zij arbeid verrichten - gedetineerden worden onder meer ingezet in de keuken bij de voedselbereiding - dat zij deelnemen aan allerlei activiteiten en dat de piw'ers zich tussen de gedetineerden begeven teneinde hen te observeren en bij te sturen. Er wordt tot op zekere hoogte een huiselijke situatie gecreëerd, waarin de gedetineerden hun sociale vaardigheden kunnen ontwikkelen en in de praktijk brengen. Het ligt in de aard van de zaak dat het met dit doel aan de gedetineerden te schenken vertrouwen van tijd tot tijd zal worden beschaamd. Niet ten onrechte heeft gedaagde erop gewezen dat dit op vele uiteenlopende manieren kan gebeuren en dat doeltreffende voorzorgsmaatregelen tegen alle denkbare acties van gedetineerden de toepassing van het halfopen regime volstrekt onmogelijk zouden maken. Dit betekent dat van geval tot geval een afweging moet worden gemaakt tussen het belang van de veiligheid en het belang van de aan gedetineerden te geven vrijheid en verantwoordelijkheid. Tegen deze achtergrond kan naar het oordeel van de Raad niet worden staande gehouden dat gedaagde nalatig is gebleven bij het treffen van maatregelen die het incident, zoals dit zich heeft voorgedaan, hadden kunnen voorkomen.

3.3.4. De rechtbank is derhalve terecht tot de conclusie gekomen dat gedaagde de zorgplicht niet heeft geschonden.

4. Ingevolge artikel 69, eerste lid, van het ARAR kan gedaagde naar billijkheid de ambtenaar schadeloos stellen, kosten vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming verlenen. Blijkens het verhandelde ter zitting heeft gedaagde mede beoogd appellant een tegemoetkoming op de voet van deze bepaling te weigeren en die weigering bij het bestreden besluit op inhoudelijke gronden te handhaven.

4.1. In aansluiting op hetgeen reeds onder 2. en 3.2. is overwogen, stelt de Raad vast dat het incident van 5 januari 1998 onmiskenbaar voldoet aan de definitie van "dienst-ongeval" in artikel 35 van het ARAR, doch dat de schade die appellant stelt te hebben geleden niet door de hierop betrekking hebbende bepalingen van het ARAR wordt gedekt. Voor piw'ers is bijvoorbeeld geen voorziening getroffen zoals voor politie-ambtenaren is neergelegd in artikel 54a, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, op grond waarvan onder bepaalde omstandigheden aan de desbetreffende ambtenaar smartengeld wordt vergoed. Voorzover appellant daartegen opkomt, bestrijdt hij de innerlijke waarde en de billijkheid van het ARAR, waarin de rechter niet mag treden. De inhoud van het ARAR wordt in dit opzicht bepaald door de uitkomsten van het arbeidsvoorwaardenoverleg.

4.2. Dat een piw'er risico's loopt die met de gevaren van het politiewerk vergelijkbaar zijn - zoals het geval van appellant ook heeft aangetoond - is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (CRvB 9 december 2004, LJN AR 7748, TAR 2005, 33) kan een bepaling als artikel 69 van het ARAR worden gezien als uitdrukking van de norm dat de overheidswerkgever verplicht is zich als een goed werkgever te gedragen, welke verplichtingen na aanvaarding van het wetsvoorstel van 21 februari 2004, TK 2003-2004, 29 436, binnenkort ook zal zijn opgenomen in (artikel 125ter van) de Ambtenarenwet. Deze norm als zodanig geeft echter de ambtenaar geen aanspraak op vergoeding van schade die voor zijn rekening blijft indien zich niet de situaties voordoen als bedoeld onder 1.1. Zou de rechter dat gevolg wel verbinden aan die norm, dan zou hij een stelsel van risicoaansprakelijkheid doen ontstaan, waarvoor in de geschiedenis van de totstandkoming van de rechtspositieregelingen geen basis is te vinden en waarvoor ook in het ongeschreven recht onvoldoende aanknopingspunten bestaan.

4.2. Bij deze stand van zaken ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat gedaagde zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor een tegemoetkoming uit billijkheid in de gestelde schade geen plaats is.

5. Aan een beoordeling van het tussen partijen bestaande geschil over het causaal verband komt de Raad niet meer toe.

6. Het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

7. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Koerts als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) R.E. Koerts.

HD

19.12

Q