Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AU9642

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2006
Datum publicatie
16-01-2006
Zaaknummer
04/6528 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tijdelijk dienstverband bij wijze van proef ten onrecht beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6528 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 november 2004, nr. 03/3428 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 24 november 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. B. van Bon, advocaat te Utrecht. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. E.J. Overgaauw en G.T.M.J. de Groot, beiden werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. MOTIVERING

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is met ingang van 15 oktober 2000 aangesteld als chef leidingenbureau bij de gemeente Rotterdam op basis van een tijdelijke aanstelling tot 15 oktober 2001 in verband met een proeftijd. Deze aanstelling is aansluitend verlengd tot 15 oktober 2002. Aanleiding voor die verlenging was, zoals blijkt uit het verslag van een gesprek op 21 september 2001 tussen appellant en zijn leidinggevende, dat appellant nog niet voldeed aan de eisen. Besproken is voorts dat indien de functie van chef leidingenbureau moeilijk haalbaar zou zijn voor appellant, er de mogelijk was om beleidsadviseur ondergrond te worden.

1.2. Blijkens het verslag van het op 30 november 2001 tussen appellant en zijn leidinggevende gehouden functioneringsgesprek was er een verbetering opgetreden in het functioneren van appellant, maar voldeed hij nog niet op alle aspecten. Geconstateerd werd wel dat de vervulling van de rol van hoofd leidingenbureau thans beter vorm kreeg, maar dat nog altijd sprake was van verbeterpunten die de aandacht vroegen.

1.3. In het voortgangsgesprek tussen appellant en zijn leidinggevende van 27 maart 2001 (lees: 2002) is appellant meegedeeld dat niet met hem verder zal worden gegaan als chef leidingenbureau. Appellant zou wel de functie van beleidsadviseur ondergrond kunnen krijgen. Appellant heeft bij herhaling te kennen gegeven zich niet met de ontheffing uit zijn chefsfunctie te kunnen verenigen. Voorts is een discussie ontstaan over de invulling van de nieuwe functie.

1.4. Op 26 september 2002 heeft een gesprek plaatsgevonden waarin is aangegeven dat appellant zou worden ontslagen en dat besloten was het aanbod met betrekking tot de functie van beleidsadviseur in te trekken. Bij besluit van 27 september 2002 heeft gedaagde appellant met ingang van 1 oktober 2002 ontslag verleend. Bij brief van 22 oktober 2002 heeft gedaagde het besluit tot ontslag voorzien van een motivering. Dit besluit is, onder aanvulling van de motivering en onder de toevoeging dat het ontslag eervol is verleend, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 oktober 2003, hierna: het bestreden besluit.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1 In een geval als dit, waarbij sprake is van ontslag tijdens de proeftijd, is de rechterlijke toetsing beperkt tot de vraag of, behoudens anderszins strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, het bestuursorgaan in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de betrokkene niet aan de door het bestuursorgaan in redelijkheid te stellen eisen of verwachtingen heeft voldaan. Deze toetsingsmaatstaf impliceert dat de rechter dient te bezien of dat oordeel van het bestuursorgaan voldoende is onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden.

3.2. Gedaagde heeft het ontslag blijkens de onder 1.4 genoemde brief van 22 oktober 2002 gebaseerd op het standpunt dat appellant te kort schoot op de aspecten personeelsmanagement, financieel/administratief werk, rol in het management team (MT) en communicatie met de medewerkers. Daarbij is tevens verwezen naar de verslagen van de gesprekken met appellant op 21 september en 30 november 2001.

3.3. Uit het verslag van het gesprek van 2001 komt naar voren dat in algemene zin kritiek is geuit op de wijze waarop appellant invulling gaf aan (de leidinggevende aspecten van) zijn functie als hoofd leidingenbureau.

Daarbij is twijfel uitgesproken of appellant dit bureau zelfstandig zou kunnen trekken. In het functioneringsgesprek van 30 november 2001 is evenwel geconstateerd dat de vervulling van de rol van hoofd leidingenbureau beter vorm had gekregen. Daarbij zijn punten genoemd die nog aandacht vroegen, maar is ook tot uitdrukking gebracht dat de problemen in belangrijke mate van vóór het aantreden van appellant dateerden. Het verslag van dit gesprek bevestigt de stelling van appellant dat hij bezig was de afdeling uit het slop te halen en dat dit een kwestie van lange adem zou zijn. Tegen deze achtergrond heeft gedaagde de Raad er niet van kunnen overtuigen dat er ten tijde van het voortgangsgesprek van 27 maart 2002 voldoende grond aanwezig was voor de beslissing om niet met appellant als leidinggevende verder te gaan.

Dat in de tussenliggende periode tijdens de tweewekelijkse werkbesprekingen regelmatig kritiek op het functioneren van appellant was geuit, is door appellant met stelligheid ontkend en door gedaagde niet met schriftelijke verslagen of anderszins aannemelijk gemaakt. De beweerde tekortkomingen zijn door gedaagde ook slechts in globale, kwalificerende termen omschreven en niet of nauwelijks met concrete voorbeelden gestaafd. Daartegenover heeft appellant gemotiveerde ontkenningen geplaatst - bijvoorbeeld waar het gaat om de gestelde achterstand bij het functioneringsgeprekken en om de problemen met medewerkers en externe relaties - die gedaagde volstrekt niet heeft kunnen weerleggen.

3.4. De Raad concludeert dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat appellant in zijn functie van chef leidingenbureau niet aan redelijkerwijs te stellen eisen of verwachtingen heeft voldaan. Voor ontslag of ontheffing uit deze functie was dus geen plaats. Aan de vraag of appellant aanspraak kon maken op de alternatieve functie van beleidsadviseur ondergrond komt de Raad daarom niet toe.

3.5 Gezien het voorgaande komen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Aangezien het gebrek dat aan het bestreden besluit kleeft, eveneens kleeft aan het primair besluit van 27 september 2002 en dit gebrek niet bij een nieuw besluit op bezwaar hersteld kan worden, zal de Raad op de voet van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ook dat besluit vernietigen.

4. De Raad ziet aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,-- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, derhalve in totaal € 1.288,--

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit, alsmede het besluit van 27 september 2002;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal

€ 1.288,--, te betalen door de gemeente Rotterdam;

Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 321,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Koerts als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) R.E. Koerts.