Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AU9625

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2006
Datum publicatie
16-01-2006
Zaaknummer
04/7351 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kan betrokkene, geboren uit niet-joodse moeder en ondergedoken joodse vader, nog als tweede generatie oorlogsslachtoffer met vervolgde gelijk worden gesteld? Niet blootgesteld aan vervolging.

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/7351 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], Ca, USA, eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 30 september 2004, kenmerk JZ/C60/2004/0571, ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Eiseres heeft tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld op de in het beroepschrift - met bijlagen - aangevoerde gronden. Dit beroep is bij brief van 27 december 2004 nader toegelicht door de vader van eiseres, [naam vader van eiseres], wonende te [woonplaats], als haar gemachtigde, die daarbij een rapport van 10 juli 2004 heeft overgelegd van Marvin Forrest Ph.D., klinisch psycholoog te Santa Barbara, Ca.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 24 november 2005. Voor eiseres is daar verschenen haar gemachtigde [naam vader van eiseres] voornoemd, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres, geboren in mei 1943 als kind van een joodse vader en een niet joodse moeder die eerst na de oorlog in 1951 zijn gehuwd, heeft in augustus 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend onder meer om krachtens de Wet te worden erkend als vervolgde dan wel te worden gelijkgesteld met de vervolgde. Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 9 februari 2004, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat eiseres geen vervolging heeft ondergaan als bedoeld in artikel 2 van de Wet en dat de omstandigheden waaronder eiseres de oorlogsjaren heeft meegemaakt niet zodanig uitzonderlijk zijn ten opzichte van wat andere kinderen uit een gemengd huwelijk hebben meegemaakt dat eiseres met de vervolgde kan worden gelijkgesteld.

Verweerster heeft daarbij overwogen dat eiseres als kind uit een gemengd huwelijk in beginsel geen vervolgingsmaatregelen van de Duitsers had te duchten. Verweerster heeft voorts nog overwogen dat het op grond van het huidige beleid niet meer mogelijk is om als tweede generatieslachtoffer met de vervolgde te worden gelijkgesteld.

Van de kant van eiseres is in beroep tegen dat besluit aangevoerd dat haar ouders niet gehuwd waren, omdat een huwelijk tussen een joodse en een niet-joodse partner verboden was, dat haar vader in de eigen woning was ondergedoken en door het bekend worden bij de SD van de geboorte van eiseres het hele gezin gevaar liep gedeporteerd te worden. Voorts wordt aangevoerd dat de broer van eiseres door verweerster wel onder de werking van de Wet is gebracht en dat de beleidswijziging leidt tot rechtsongelijkheid, waarbij nog wordt opgemerkt dat uit het rapport van de psycholoog Marvin Forrest Ph.D. naar voren komt, dat er bij haar wel vervolgingsgerelateerde problematiek aanwezig is.

De Raad staat voor de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door en namens eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend.

De Raad merkt allereerst op dat, anders dan door verweerster in het bestreden besluit is vermeld, eiseres niet een kind is uit een zogenoemd gemengd huwelijk. Evenals ten aanzien van de oudere broer van eiseres, [naam broer eiseres], door de Raad bij zijn uitspraak van 4 juni 1982, WUV 1981/27, is vastgesteld, was eiseres formeel het natuurlijke kind van een niet-joodse vrouw, woonde zij tijdens de Duitse bezetting in het huis van haar moeder en kwam zij niet in enige joodse registratie voor. Zij stond derhalve niet bloot aan vervolging als bedoeld in artikel 2 van de Wet, zodat verweerster terecht heeft geoordeeld dat eiseres niet als vervolgde in de zin van de Wet kan worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet kan verweerster niettemin de persoon die voldoet aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid, en tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met de vervolging, met de vervolgde gelijkstellen, indien het niet toepassen van de Wet ten aanzien van deze persoon een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

Deze bevoegdheid is van discretionaire aard. Dat brengt mee dat de Raad een besluit als hier in geding slechts met terughoudendheid kan toetsen.

Verweerster hanteert bij het gebruik van vorenbedoelde bevoegdheid in het geval dat sprake is van kinderen uit een gemengd huwelijk als hoofdregel dat de omstandigheden waaronder de betrokkene ten tijde van de bezetting heeft geleefd zich duidelijk ongunstig dienen te hebben onderscheiden van die van zijn of haar categoriegenoten, zoals bijvoorbeeld het aanwezig zijn bij het met excessief geweld wegvoeren van de vervolgde ouder en het door de vervolging omkomen van de ouder. Voorts kunnen meewegen het meemaken van de wegvoering van naaste familieleden, van razzia’s, huiszoekingen, het in huis hebben van Joodse onderduikers, het hebben van duidelijke problemen gedurende het gehele leven vanaf de oorlog die kunnen worden toegeschreven aan de omstandigheden gedurende de oorlogsjaren.

Dit beleid, hoewel strikt genomen niet van toepassing in het geval van eiseres, is voor verweerster kennelijk de maatstaf geweest waaraan zij de omstandigheden heeft getoetst waaronder eiseres de oorlog heeft meegemaakt. Daarmee wordt eiseres naar het oordeel van de Raad niet tekort gedaan.

De gemachtigde van verweerster heeft ter zitting van de Raad aangegeven dat zich ten aanzien van eiseres alleen “het in huis hebben van joodse onderduikers” als factor voordoet, welke factor gelet op de leeftijd van eiseres, die bovendien verklaard heeft dat zij geen directe herinneringen heeft aan die tijd, en het feit dat de onderduiker haar eigen vader was, door verweerster niet als zwaarwegend wordt beschouwd.

Duidelijke problemen gedurende het gehele leven vanaf de oorlog die kunnen worden toegeschreven aan de omstandigheden gedurende de oorlogsjaren, ziet verweerster uit het sociaal rapport dat naar aanleiding van de aanvraag van eiseres is opgemaakt ook niet naar voren komen. Eiseres heeft zich eerst omstreeks 1984 onder behandeling van een psycholoog gesteld.

De Raad is met verweerster van oordeel dat niet gezegd kan worden dat eiseres met haar oorlogservaringen in ongunstige zin afwijkt van wat andere kinderen van een joodse ouder en een niet-joodse ouder hebben meegemaakt. Wat de psycholoog Marvin Forrest Ph.D. in zijn rapport weergeeft als ervaringen van eiseres past geheel in dat beeld. Daarmee zij geenszins ontkend dat eiseres thans psychische klachten kan hebben als gevolg van hetgeen tijdens de oorlogsjaren is gebeurd met het gezin en de familie waarvan zij deel uitmaakte. In het beleid van verweerster weegt het bestaan op zich van oorlogsgerelateerde problematiek evenwel niet mee.

Met betrekking tot de omstandigheid dat de broer van eiseres door verweerster wel onder de werking van de Wet is gebracht, overweegt de Raad dat verweerster in het bestreden besluit en in haar verweerschrift de indruk wekt dat de eerder genoemde broer [naam broer eiseres] slechts op basis van zogenoemde tweede generatieproblematiek met de vervolgde is gelijkgesteld en, nu die problematiek thans tengevolge van de wijziging van verweersters beleid niet meer tot gelijkstelling kan leiden, om die reden voor eiseres die mogelijkheid niet meer openstaat.

Uit de reeds vermelde uitspraak van de Raad met betrekking tot broer [naam broer eiseres] en uit hetgeen ter zitting door de gemachtigde van verweerster is vermeld, komt evenwel naar voren dat het de traumatische ervaringen van hemzelf, naast de gedragingen van een of beide ouders, ingegeven door vrees voor vervolging van een of meer gezinsleden, zijn geweest die zijn psychische gesteldheid hebben teweeggebracht. De wijziging van verweersters beleid met betrekking tot de tweede generatieproblematiek speelt in deze dus geen rol. Hoewel verweerster de gemachtigde van eiseres daarmee op het verkeerde been heeft gezet, acht de Raad dat motiveringsgebrek niet van dien aard dat hij daaraan rechtsgevolgen moet verbinden. Aangezien voorts, zoals tevens uit genoemde uitspraak van de Raad blijkt, ten aanzien van broer [naam broer eiseres], anders dan ten aanzien van eiseres, zich wel de situatie voordeed van het hebben van duidelijke problemen gedurende het gehele leven vanaf de oorlog die kunnen worden toegeschreven aan de omstandigheden gedurende de oorlogsjaren, moet de Raad vaststellen dat in deze van rechtsongelijkheid niet kan worden gesproken.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen kan, naar het oordeel van de Raad, verweersters beslissing eiseres niet met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen de beperkte toetsing waartoe de rechter gehouden is, doorstaan.

Het bovenstaande brengt mee dat het door eiseres ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2006.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.