Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AU9338

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2006
Datum publicatie
12-01-2006
Zaaknummer
04/1056 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mate arbeidsongeschiktheid. CBBS. Verslaglegging en motivering van het betreffende besluit. In eerste aanleg als in hoger beroep uitvoerige toelichtingen op een aantal aspecten van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/1056 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant heeft mr. B.L.I.M. van Overloop, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 januari 2004, nummer 03/71 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 29 november 2005, waar partijen, zoals tevoren was bericht, niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Bij besluit van 10 december 2002, verder: het bestreden besluit, heeft gedaagde gegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen een besluit van 15 mei 2002, waarbij appellant met ingang van 4 mei 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is geweigerd op de grond dat gedaagde hem voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet beschouwt. Bij het bestreden besluit is het besluit van 15 mei 2002 herzien en besloten appellant met ingang van 4 mei 2002 alsnog een uitkering ingevolge de WAO naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% toe te kennen.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de door gedaagde verrichte medische en arbeidskundige beoordeling die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, juist geacht en appellants beroep ongegrond verklaard.

In hetgeen wat betreft de medische beoordeling in hoger beroep is aangevoerd, heeft de Raad geen aanleiding gevonden daarover anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan in de aangevallen uitspraak.

Zowel in beroep als in hoger beroep wordt gesteld dat de belastbaarheid van appellant onjuist zou zijn vastgesteld. Ter onderbouwing van dat standpunt is in hoger beroep door de gemachtigde van appellant een summier "medisch getuigschrift" van 1 april 2004 van de psychiater-neuroloog F.A. Boogers overgelegd. De inhoud van dat getuigschrift acht de Raad voldoende overtuigend weersproken door de reactie van de bezwaarverzekeringsarts L. Greveling van 23 april 2004.

Voorts blijkt uit de gedingstukken dat appellant op 22 februari 2002 uitvoerig is onderzocht door de verzekeringsarts F.R.A. de Clerq, die ook telefonisch inlichtingen heeft ingewonnen bij de behandelend specialist en een maatschappelijk werker en reeds de beschikking had over schriftelijke informatie van Boogers van 16 april 2002, waarin werd gesproken van een depressieve stoornis, maar ook van een langzaam verbeteringsproces. De bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff heeft de medische gegevens uit het dossier bestudeerd en de vastgestelde belastbaarheid in rubriek I “persoonlijk functioneren” van de Funtionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangescherpt.

Dit alles heeft bij de Raad geen twijfel doen rijzen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid op de datum in geding.

Wat betreft de arbeidskundige beoordeling overweegt de Raad het volgende.

De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is bepaald met behulp van het zogeheten Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Ten aanzien van dit systeem heeft de Raad in zijn uitspraken van 9 november 2004 (LJNummers AR 4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722) overwogen dat hem niet gebleken is van redenen om het CBBS niet in beginsel rechtens aanvaardbaar te achten maar dat er, omdat dit systeem een aantal onvolkomenheden bevat, hoge eisen dienen te worden gesteld aan de verslaglegging en motivering van de in een concreet geval aan het betreffende besluit ten grondslag gelegde uitgangspunten. In reeds lopende zaken zal het bestreden besluit vernietigd dienen te worden indien niet uiterlijk bij de beslissing op het bezwaar aan die eisen wordt voldaan. In het geval in de loop van de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep een besluit, dat voor 1 juli 2005 is genomen, alsnog wordt voorzien van de ontbrekende toelichting, onderbouwing of motivering, kan er aanleiding zijn om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

De arbeidsdeskundige P. Blom heeft ter voorbereiding van het bestreden besluit het CBBS opnieuw geraadpleegd en onderzocht of de ter voorbereiding van het besluit van 15 mei 2002 geselecteerde functies ook op basis van de door de bezwaarverzekeringsarts aangescherpte belastbaarheid voor appellant geschikt zijn. Daarbij is een functie komen te vervallen, hetgeen heeft geleid tot een gewijzigd bedrag van de resterende verdiencapaciteit, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid in bezwaar alsnog is vastgesteld op 15 tot 25%.

Zowel tijdens de procedure in eerste aanleg (bij brief van 23 april 2003) als in hoger beroep (bij brief van 4 mei 2005) zijn door gedaagde uitvoerige toelichtingen op een aantal aspecten van de FML in relatie tot de belastingsaspecten van de geselecteerde functies ingezonden die van de zijde van appellant niet zijn weersproken en die ook de Raad voldoende overtuigend zijn voorgekomen.

Het hiervoor overwogene leidt de Raad tot de conclusie dat in beroep en in hoger beroep de ontbrekende onderbouwing van het bestreden besluit, dat voor 1 juli 2005 is genomen, alsnog is gegeven.

Gelet op ’s Raads standpunt met betrekking tot het CBBS moet zulks tot de conclusie leiden dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

Beslist moet worden als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 116,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.