Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AU9290

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2006
Datum publicatie
10-01-2006
Zaaknummer
05-3924 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Termijnoverschrijding indienen gronden van het bezwaar. Inhoudelijke aspecten van een besluit kunnen pas aan de orde komen nadat de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3924 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 juni 2005, nr. AWB 05/794, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben de Raad nog stukken toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 1 december 2005, waar namens appellante is verschenen mr. A.A.M. van der Zandt, bijgestaan door Y.I. Bovenkerk, beiden werkzaam bij ABVAKABO FNV. Gedaagde heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. A.V. Koolschijn, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Namens appellante is bij brief van 29 december 2004 primair ter sauvering van de wettelijke termijn bezwaar gemaakt tegen een te haren aanzien genomen besluit van 30 november 2004.

1.2. Bij brief van 4 januari 2005 is aan de gemachtigde van appellante verzocht de gronden van het bezwaar binnen vier weken na dagtekening van die brief in te dienen. Daarbij is de gemachtigde er op gewezen dat indien de gronden niet binnen de genoemde termijn van vier weken zijn ontvangen, het bezwaarschrift niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

1.3. De gronden van het bezwaar zijn niet binnen de gestelde termijn ingediend, maar op 2 februari 2005, per faxschrijven en per op die datum gedateerde brief.

1.4. Na telefonisch contact, waarin de reden van termijnoverschrijding is besproken, heeft gedaagde bij het in geding zijnde besluit van 11 februari 2005 het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard omdat de gronden van het bezwaar niet binnen de gestelde termijn zijn ingediend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd het volgende.

3.1. Niet in geschil is dat de gronden van het bezwaar zijn ingediend buiten de in de brief van 4 januari 2005 gestelde termijn van vier weken.

3.2. Beoordeeld dient te worden of gedaagde in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn besluit het namens appellante ingediende bezwaar tegen zijn besluit van 30 november 2004 niet-ontvankelijk te verklaren, om reden dat appellante niet binnen de geboden termijn de gronden van het bezwaar heeft ingediend.

3.3. Namens appellante is aangevoerd dat de reden van de te late indiening van de gronden van het bezwaar was gelegen in de invoering op 1 februari 2005 van een nieuw administratief systeem op zijn kantoor, waardoor dat systeem op 1 februari 2005 niet werkte. Daardoor heeft verzending van de gronden pas op 2 februari 2005 kunnen plaatsvinden. Volgens appellante blijkt niet dat gedaagde en de rechtbank de belangen hebben afgewogen.

3.4. Namens gedaagde is aangevoerd dat er zijnerzijds zorgvuldig is gehandeld; er is een redelijke termijn gesteld van vier weken om de ontbrekende gronden in te dienen, waarbij de mogelijkheid is geboden om gemotiveerd om verlenging van die termijn te verzoeken. Beleid van gedaagde is om de hand te houden aan dergelijke termijnen en bij overschrijding daarvan het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. De in het telefoongesprek met de gemachtigde van appellante op 2 februari 2005 naar voren gekomen grond was voor gedaagde geen aanleiding om de overschrijding van de termijn verschoonbaar te achten.

3.5. De Raad acht het beleid van gedaagde als onder 3.4. uiteengezet niet onjuist of buiten redelijkheidsgrenzen gelegen. Evenals de rechtbank ziet de Raad in hetgeen namens appellante is aangevoerd geen reden om te oordelen dat gedaagde had moeten afwijken van zijn beleid. De Raad overweegt daartoe dat uit de gedingstukken blijkt dat de overgang naar het nieuwe administratieve systeem niet onverwachts kwam. Gelet op de lengte van de geboden termijn ziet de Raad daarom niet in waarom de gronden van bezwaar niet hadden kunnen worden ingediend vóór de overgang naar het nieuwe administratieve systeem dan wel waarom niet tijdig een verzoek is ingediend om verlenging van de geboden termijn.

3.6. Evenmin behoefde gedaagde aanleiding te zien tot afwijking van zijn beleid vanwege het grote belang van appellante bij het aanwenden van rechtsmiddelen tegen het gegeven ontslag. De Raad onderschrijft dienaangaande het standpunt van gedaagde dat de inhoudelijke aspecten van het primaire besluit bij de afweging of gebruik dient te worden gemaakt van de discretionaire bevoegdheid van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om een bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren geen rol kunnen spelen. Inhoudelijke aspecten van een besluit kunnen pas aan de orde komen nadat de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift is vastgesteld.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.