Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AU9221

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2006
Datum publicatie
09-01-2006
Zaaknummer
04/6267 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inspecteur van politie. Strafontslag wegens het zich onttrekken aan ademanalyse, na blaastest waarbij alcoholpromillage boven wettelijke grens lag. Ernstig plichtsverzuim. Al eerder gewaarschuwd in verband met alcohol misbruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6267 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Noord- en Oost-Gelderland, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 5 oktober 2004, nr. 04/24 AW 258, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 1 december 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. G.F.M.G. Heutink, advocaat te Apeldoorn. Gedaagde heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam als inspecteur van politie bij de politieregio Noord- en Oost-Gelderland.

Op 2 december 2002 heeft een agente van politie geconstateerd dat appellant, rijdend in een personenauto en (deels) uitgedost als Sinterklaas, links afsloeg waarbij hij een op rood staand verkeerslicht negeerde. Een ademtest op straat, gehouden nadat appellant zijn auto had geparkeerd, gaf een indicatie van een alcoholpromillage in het bloed van 0,5 tot 0,8 (zogeheten A-indicatie). Appellant is daarna desgevraagd met de agente meegegaan naar het politiebureau voor een ademanalyse. Na aankomst op het politiebureau maakte appellant van de gelegenheid dat hij alleen was gelaten, gebruik door het bureau te verlaten en zich aan de ademanalyse te onttrekken.

1.2. Bij besluit van 25 juli 2003 heeft gedaagde appellant met toepassing van de artikelen 76, 77, eerste lid, aanhef en onder j, en 82 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) strafontslag opgelegd met onmiddellijke ingang. Gedaagde heeft hieraan met name ten grondslag gelegd dat appellant zich op 2 december 2002 aan een ademanalyse heeft onttrokken na een indicatie dat zijn alcoholpromillage boven de wettelijke grens lag en zich daarmee heeft schuldig gemaakt aan overtreding van een wettelijk voorschrift. Dit is door gedaagde als zeer ernstig plichtsverzuim aangemerkt. Gezien eerdere gedragingen van appellant onder invloed van alcohol is naar de mening van gedaagde sprake van doorgaand verwerpelijk gedrag waarbij de integriteit van appellant als politieambtenaar ter discussie staat.

Bij het bestreden besluit van 8 december 2003 heeft gedaagde na bezwaar het ontslagbesluit van 25 juli 2003 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Appellant erkent dat hij plichtsverzuim heeft gepleegd maar naar zijn mening is dit verzuim niet zo ernstig dat dit het hem opgelegde strafontslag kan rechtvaardigen. Naar hij in dit verband heeft aangevoerd, lijdt hij aan een posttraumatische stressstoornis ten gevolge van ervaringen tijdens zijn dienstuitoefening. Gedaagde heeft hiervoor geen oog gehad. Voorts was zijn beslissing om het politiebureau te verlaten min of meer een paniekreactie en is deze hem niet volledig aan te rekenen.

4.1. De Raad stelt vast dat appellant, naar tussen partijen ook niet in geschil is, zich aan het hem ten laste gelegde en daarmede aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt.

4.2. Met betrekking tot de vraag of het opgelegde strafontslag als niet onevenredig in verhouding tot de ernst van dit plichtverzuim is te beschouwen, overweegt de Raad het volgende.

4.2.1. Uit de gedingstukken blijkt niet dat appellant ten tijde in geding leed aan een posttraumatische stressstoornis. Ter ondersteuning van zijn desbetreffende stelling heeft hij ook geen medische stukken overgelegd. Waar appellant heeft aangevoerd dat hij traumatische ervaringen heeft ondergaan bij werkzaamheden in verband met de grote vuurwerkramp te Enschede in mei 2000 valt op dat hij reeds voordien te kampen had met een alcoholprobleem. Ook overigens is niet aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat ziekte of eenvoudigweg de psychische gesteldheid van appellant er in wezenlijke mate aan heeft bijgedragen dat hij zich aan de ademanalyse op het politiebureau onttrok. Weliswaar heeft appellant een brief van de psychiater B. van 18 december 2002 overgelegd waarin is gesteld dat angst op dat moment het gezonde verstand van appellant oversteeg en dat hij in die gemoedstoestand van het politiebureau is weggevlucht, maar deze stelling is op geen enkele wijze onderbouwd en berust dan ook kennelijk op door appellant zelf terzake afgelegde verklaringen. Voorts komt uit de gedingstukken naar voren dat appellant tegen de verbaliserende agente heeft gezegd dat het rijden onder invloed van alcohol hem zijn baan zou kunnen kosten en dat hij meende door het politiebureau te verlaten zich niet schuldig te maken aan het strafbare feit het ondergaan van de ademanalyse te weigeren, omdat hem daartoe nog geen bevel was gegeven. Een en ander wijst erop dat appellant bij zijn beslissing het politiebureau te verlaten een min of meer rationele afweging heeft gemaakt. Onder voormelde omstandigheden kan de Raad niet tot het oordeel komen dat het plichtsverzuim appellant in betekende mate niet is toe te rekenen.

4.2.2. Daarnaast acht de Raad met gedaagde van belang dat appellant reeds eerder in 1999 door de toenmalige korpschef is aangesproken op zijn alcoholgebruik. Tijdens een meerdaagse oefening van de regionale ME in april 2000 verkeerde appellant (wederom) onder invloed van alcohol hetgeen tot bepaald wangedrag zijnerzijds heeft geleid; hiervoor is hij schriftelijk berispt. Niettemin werd in december 2000 opnieuw geconstateerd dat appellant onder diensttijd naar alcohol rook. Gelet hierop heeft gedaagde zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat ten aanzien van appellant kan worden gesproken van doorgaand onjuist gedrag.

4.2.3. Vorenstaande overwegingen brengen de Raad tot het oordeel dat het appellant opgelegde strafontslag met onmiddellijke ingang niet als onevenredig is te beschouwen. Daarbij merkt de Raad nog op dat appellant zich door zich aan de ademanalyse te ontrekken gedragen heeft op een wijze die een politiefunctionaris onwaardig is. Door dit te doen heeft appellant het vertrouwen dat in hem moest kunnen worden gesteld, ernstig geschaad en heeft hij de voor zijn functie vereiste betrouwbaarheid en integriteit ondermijnd.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.