Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AU9169

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2006
Datum publicatie
06-01-2006
Zaaknummer
04/156 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor griffiekosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

04/156 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 30 december 2003, reg.nr. 01/733 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Hierna heeft appellant nog nadere stukken aan de Raad gezonden.

De gedingen zijn - gevoegd met de gedingen met reg.nrs. 04/157 NABW en 04/158 NABW - behandeld ter zitting van 22 november 2005. Daar is appellant in persoon verschenen en heeft gedaagde zich niet laten vertegenwoordigen. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gedingen weer gesplitst. In de zaken met reg.nrs. 04/157 NAWB en 04/158 NABW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. MOTIVERING

De Raad gaat uit van de volgende relevante feiten en omstandigheden. Bij besluit van

1 februari 2001 heeft gedaagde de op 4 december 2000 door appellant ingediende aanvraag om bijzondere bijstand voor griffiekosten tot een bedrag van f. 225,-- afgewezen.

Bij besluit op bezwaar van 5 juni 2001 is het afwijzende besluit van 1 februari 2001 gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank Zutphen het beroep tegen dit besluit op bezwaar ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor griffierecht ten behoeve van een geding bij de rechtbank Zutphen. De Raad stelt vast dat het griffierecht kort na het aanhangig maken van dit geding door de toenmalige raadsman van appellant, mr. Essink, is voldaan.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd voor een schuld, te weten een schuld aan mr. Essink voor griffierecht die dit heeft betaald ten behoeve van appellant, en niet voor kosten bestaande uit het moeten betalen van griffierecht. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellant de bijzondere bijstand eerst zeer geruime tijd na het tijdvak waarin het griffierecht betaald kon worden heeft aangevraagd.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) wordt degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, niet geacht te verkeren in omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat genoemde bepaling er aan in de weg staat dat appellant voor de eerder genoemde schuld aan mr. Essink bijstand wordt verleend.

De Raad acht geen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de Abw aanwezig om hiervan af te wijken.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. C. van Viegen, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2006.

(get.) C. van Viegen.

(get.) M. Pijper.

MvK01125