Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AU9101

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2006
Datum publicatie
06-01-2006
Zaaknummer
04/417 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Zorgvuldigheid medische grondslag. Verzekeringsgeneeskundig onderzoek door indicatie-adviseur, in plaats van verzekeringsarts.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 3
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2006/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/417 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 28 maart 2002 heeft gedaagde de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeids- ongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 14 april 2002 ingetrokken, onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

Gedaagde heeft het tegen dit besluit door mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, namens appellant gemaakte bezwaar bij besluit van 3 oktober 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank Utrecht heeft het door de gemachtigde van appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 3 oktober 2002 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 29 december 2003, reg.nr. SBR 02/2412, ongegrond verklaard.

De gemachtigde van appellant heeft tegen deze uitspraak op bij beroepschrift, met bijlagen, aangegeven gronden hoger beroep ingesteld en heeft bij brief van 16 februari 2004 de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Gedaagde heeft onder overlegging van een bijlage van verweer gediend.

De gemachtigde van appellant heeft bij brief van 7 juli 2004 medische stukken overgelegd. Hierop heeft gedaagde op 21 juli 2004 gereageerd met overlegging van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts O.J. van Kempen van 14 juli 2004.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 november 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en waar namens gedaagde - met kennisgeving - niemand is verschenen.

II. MOTIVERING

Appellant was werkzaam als lasser toen hij zich op 29 juni 1993 ziek meldde met hoofdpijnklachten. In aansluiting op het einde van de wachttijd, met ingang van 28 juni 1994, en nadien heeft appellant een WAO-uitkering ontvangen naar een wisselende mate van arbeidsongeschiktheid. Met ingang van 22 april 1998 is deze uitkering herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 11 september 2000 is appellant onderzocht door de verzekeringsarts M. Levy. Blijkens het rapport van zijn onderzoek van dezelfde datum achtte deze appellant met name ook in verband met door hem overigens niet als blijvend beoordeelde linker knieklachten op een aantal fysieke aspecten beperkt en voorts voor een bovengemiddeld lawaainiveau. Levy legde zijn bevindingen vast in een handgeschreven FIS-formulier van 18 september 2000. Vervolgens is op 16 oktober 2001 door de indicatieadviseur H.S.M. Helsloot op basis van dossierstudie en de door appellant ingevulde vragenlijst een rapport opgemaakt, dat voor akkoord is getekend door de verzekeringsarts

M. Hagedoorn. In dit rapport is verwezen naar de vermelding in evengenoemde vragenlijst van knieklachten waarvoor nog onderzoek plaatsvond en is geconcludeerd dat de huidige medische situatie ten opzichte van het vorige onderzoek ongeveer stationair is gebleven, hetgeen betekent dat de mogelijkheden tot functioneren nagenoeg gelijk zijn gebleven ten opzichte van het onderzoek van Levy. Vervolgens leidde functieduiding blijkens het rapport van het arbeidskundig onderzoek van

23 januari 2002 tot berekening van het verlies aan verdienvermogen op 4,77%, waarna gedaagde het primaire besluit van

28 maart 2002 nam.

In de bezwaarprocedure heeft de in rubriek I van deze uitspraak reeds genoemde bezwaarverzekeringsarts, die blijkens het verslag van de hoorzitting op 10 september 2002 aldaar enige vragen aan appellant heeft gesteld over zijn gezond- heidstoestand, in haar rapport van 25 september 2002 op basis van de hoorzitting en van dossierstudie geconcludeerd dat er ter hoorzitting geen nieuwe gezichtspunten naar voren zijn gekomen en dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van de beoordeling in de primaire fase. Vervolgens handhaafde gedaagde bij het bestreden besluit het primaire besluit.

Bij de behandeling van het beroep van appellant ter zitting van de rechtbank op 18 november 2003 heeft de gemachtigde van appellant - naast medische en arbeidskundige bezwaren - gewezen op het grote tijdsverloop tussen het onderzoek van Hagedoorn en de datum bij het bestreden besluit in geding. Voorts heeft deze gemachtigde onder andere aangevoerd dat appellant in het kader van het onderzoek door de indicatieadviseur deze functionaris heeft gesproken, dat appellant de verzekeringsarts niet heeft gesproken, dat geen lichamelijk onderzoek is verricht, dat met de akkoordverklaring door de verzekeringsarts nog niet sprake is van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek in de zin van de artikelen 3 en 4 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Sb) en dat ook in de bezwaarprocedure niet een lichamelijk onderzoek is verricht. Volgens de gemachtigde van appellant is het bestreden besluit derhalve genomen in strijd met de artikelen 3:2 van de Awb en 3 en 4 van het Sb.

De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een zodanig tijdsverloop tussen het onderzoek van Hagedoorn en de datum in geding, dat op die grond gezegd zou moeten worden dat de besluitvorming onvoldoende zorgvuldig is geweest. Voorts heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit uiteindelijk onderschreven en heeft zij het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant zijn in eerste aanleg voorgebrachte bezwaren nogmaals aan de orde gesteld.

De Raad oordeelt als volgt.

In zijn uitspraak van 29 september 2005, LJnummer: AU3603, in een gelijksoortige zaak heeft de Raad, kort gezegd, geoordeeld dat de bewoordingen van artikel 3, tweede en derde lid, van het Schattingsbesluit, bezien op zichzelf als in samenhang met de overige voorschriften van het Schattingsbesluit betreffende het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, geen andere conclusie toelaten dan dat het in het kader van arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen ingevolge de verschillende arbeidsongeschiktheidswetten uit te voeren verzekeringsgeneeskundig onderzoek uitsluitend dient plaats te vinden door een verzekeringsarts.

Voorts heeft de Raad geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn dat de regelgever het ook mogelijk heeft willen maken het verzekeringsgeneeskundige onderzoek, al dan niet vanwege of mede vanwege die verzekeringsarts en al dan niet onder verantwoordelijkheid van die arts, geheel of ten dele door een andere functionaris te doen plaatsvinden. Met name zag de Raad, anders dan de rechtbank, in de tekst van het Schattingsbesluit noch in de toelichting daarop ruimte voor de zienswijze dat onder omstandigheden dat onderzoek ook (ten dele) door een niet-arts zou kunnen worden verricht.

Eenzelfde oordeel moet ook in het onderhavige geding gelden voor het onderzoek van de indicatieadviseur, die blijkens de verklaring van de zijde van gedaagde ter zitting van de rechtbank geen arts is. Daarbij tekent de Raad aan dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, aan het onderzoek van Hagedoorn in dit geval geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend voor de weging van de aanvaardbaarheid van de in geding zijnde beoordeling. De Raad wijst naast het grote tijdsverloop tussen dit onderzoek en de datum thans in geding op het gegeven dat appellant in het hiervoor vermelde vragenformulier heeft gewezen op onderzoek van zijn knieklachten. Voorts acht de Raad van belang de in hoger beroep overgelegde informatie van de appellant behandelend orthopedisch chirurg A.J.A.M. Ooms van 13 december 2002 aan de huisarts, waarin weliswaar is aangegeven dat bij zijn onderzoek geen afwijkingen zijn gevonden maar ook dat bij het MRI-onderzoek in september 2001 in verband met knieklachten links een ruptuur van de voorste kruisband is beschreven en dat aanwijzingen zijn gevonden voor een horizontale meniscus ruptuur aan de mediale zijde. De Raad is tevens van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het gebrek ten aanzien van de medische grondslag van het primaire besluit is hersteld in de bezwaarprocedure, nu ook in die procedure door Van Kempen geen lichamelijk onderzoek bij appellant is verricht.

De Raad is dan ook met appellant van oordeel dat het bestreden besluit, gelet op de wijze waarop de medische grondslag daarvan is voorbereid en tot stand is gekomen, in strijd is te achten met de artikelen 3 en 4 van het Sb en artikel 3:2 van de Awb en derhalve in rechte geen stand kan houden.

Gedaagde zal derhalve een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad.

Uit het hiervoor overwogene blijkt dat het bestreden besluit wordt vernietigd op grond van gebreken in de totstandkoming ervan en dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich uit te spreken over de door appellant gestelde renteschade en, gelet op het in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb vervatte vergoedingscriterium, over de in de bezwaarfase gevorderde vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit op bezwaar zal gaan luiden.

Gedaagde zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade en kosten van de bezwaarprocedure te vergoeden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 116,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.