Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AU9085

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2006
Datum publicatie
06-01-2006
Zaaknummer
03/4916 AAW/WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

AAW/WAO-schatting. Juistheid Indexcijfers; maatmaninkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/4916 AAW/WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift en aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 augustus 2003, nr. AWB 02/1174 AAWAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en zijn desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 22 november 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr. K. de Bie, advocaat te Amsterdam, en waar namens gedaagde is verschenen mr. M. Oltmans, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

II. MOTIVERING

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant, laatstelijk werkzaam als metaalarbeider, is op 6 juli 1981 uitgevallen als gevolg van een verkeersongeval. Sedert

3 juli 1982 ontving hij een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van

28 februari 1985 is de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 december 1984 herzien naar 15 tot 25%. Deze beslissing heeft geleid tot een aantal procedures, uitmondend in het besluit van 31 juli 1990 waarbij per 1 december 1984 de arbeids- ongeschiktheid is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Ondanks dat nadien nog verscheidene procedures zijn gevoerd is de mate van arbeidsongeschiktheid tot de thans in geding zijnde datum 11 oktober 1997 niet meer gewijzigd.

Op 24 maart 1997 heeft in het kader van de zogeheten eenmalige herbeoordeling een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. In haar rapport van deze datum kwam de verzekeringsarts A.E. Admiraal tot de conclusie dat de medische situatie van appellant ten opzichte van vorig onderzoek niet was gewijzigd. Er waren door ziekte dan wel gebrek stoornissen en afgenomen beroepsvaardigheden vast te stellen ten aanzien van het verrichten van arbeid, en er was sprake van een eindtoestand in verzekeringsgeneeskundige zin. De verzekeringsarts achtte appellant in staat om volledig te hervatten in duurzaam loonvormende arbeid, indien rekening werd gehouden met de verminderde beroepsvaardigheden zoals vermeld op het formulier Functie Informatie Systeem (FIS) van 25 mei 1993. Met behulp van het in het FIS-formulier opgenomen belastbaarheidspatroon heeft de arbeidsdeskundige P. Post functies geselecteerd en vastgesteld dat het verlies aan verdienvermogen 21% betrof, hetgeen neerkwam op een arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%. Bij besluit van

14 augustus 1997 heeft gedaagde de WAO-uitkering van appellant per 11 oktober 1997 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Voorts is de AAW-uitkering per 11 oktober 1997 ingetrokken omdat de AAW pas recht op uitkering gaf bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 25% of meer.

Het tegen voornoemd besluit gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 27 juli 1998 ongegrond verklaard.

De rechtbank Amsterdam heeft het besluit van 27 juli 1998 bij uitspraak van 7 februari 2000, nr. AWB 99/469, vernietigd met opdracht aan gedaagde tot het nemen van een nieuw besluit en bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hoewel de rechtbank het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig achtte was de rechtbank van oordeel dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd aangezien de omschreven psychische beperkingen niet op het FIS-formulier geconcretiseerd waren en niet gebleken was waarom de functies ondanks overschrijding van met name de psychische belastbaarheid toch passend waren.

Partijen hebben in deze uitspraak berust. De verzekeringsarts A.E. Admiraal heeft vervolgens, blijkens haar rapport van 5 juli 2000, de psychische belasting alsnog geconcretiseerd. De psychisch belastende factoren die in het FIS-formulier van

25 mei 1993 conform de conclusie van het rapport van 27 februari 1992 van de zenuwarts J.A.H. Koelen waren omschreven als ‘geen bijzonder stressvol werk’, ‘geen bijzonder productiegericht werk’ en ‘geen werk in een bijzondere autoritaire context’ hadden volgens de verzekeringsarts op het FIS-formulier aangeduid kunnen worden als ‘werkdruk’ (item 28A), ‘dwingend werktempo’ (item 28B) en ‘conflicthantering’ (item 28E). Voorts heeft de verzekeringsarts per geduide functie aangegeven of er sprake is van overschrijding van de belastbaarheid en zo ja waarom zij in dat geval de functie ondanks de overschrijdingen toch passend acht. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige R.F. Meere het verlies aan verdienvermogen opnieuw berekend en vastgesteld op 22,4% hetgeen andermaal neerkwam op indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%.

Bij het thans bestreden besluit van 1 februari 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellant (wederom) ongegrond verklaard en zijn beslissing van 14 augustus 1997 gehandhaafd.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspaak het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank vond geen aanleiding voor het oordeel dat de wijze waarop de arbeidskundige kant van de schatting was uitgevoerd niet juist zou zijn. Ten aanzien van appellants grief, inhoudende dat gedaagde bij de vaststelling van het maatmaninkomen niet het juiste indexcijfer heeft gebruikt, overwoog de rechtbank dat gedaagde normaliter uitgaat van de voorlopige indexcijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zoals bekend ten tijde van de datum van het primaire besluit en dat het slechts indien over de indexcijfers in bezwaar gronden zijn aangevoerd, in de rede ligt dat gedaagde bij de beslissing op bezwaar de vaste indexcijfers hanteert. Aangezien appellant in bezwaar niets had aangevoerd omtrent een onjuist gebruik van het indexcijfer kon deze beroepsgrond volgens de rechtbank niet slagen.

Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat hij medisch in staat is de geduide functies te verrichten. In dit verband is de vraag opgeworpen of de wijze waarop de in het FIS-formulier van 25 mei 1993 vastgestelde psychische beperkingen uiteindelijk zijn weergegeven, juist is. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant in aanvulling daarop aangegeven dat op grond van de vastgestelde psychische beperkingen appellant ook beperkt moet worden geacht op item 28H ‘verantwoordelijkheid, afbreukrisico’. De geduide functie stikster meubelbekleding die op item 28H een markering kent, kan naar haar mening daarom niet aan de schatting ten grondslag worden gelegd. Voorts zijn de grieven met betrekking tot het gehanteerde indexcijfer herhaald. De door de rechtbank gehanteerde redenering acht appellant niet juist. Namens appellant is er daarbij op gewezen dat appellant er met het oog op toekomstige procedures belang bij heeft dat het maatmaninkomen op correcte wijze wordt vastgesteld.

Gedaagde heeft benadrukt dat het arbeidskundige deel van de beoordeling juist is uitgevoerd. Met betrekking tot het te hanteren indexcijfer heeft gedaagde aangevoerd dat, uitgaande van het vastgestelde maatmanloon en het mediane loon van de geduide functies, de arbeidsongeschiktheidsklasse niet wordt overschreden, welke van de door gedaagde gehanteerde en/of appellant genoemde indexcijfers ook worden gebruikt.

Tenslotte heeft gedaagde nog aangegeven dat twee van de geselecteerde functies, te weten die van monteur en wikkelaar, niet aan de schatting ten grondslag gelegd kunnen worden vanwege een verouderde actualiteitsdatum. Er blijven echter voldoende functies over om de schatting op te baseren, terwijl het mediane loon gehandhaafd blijft.

De Raad overweegt als volgt.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Nu partijen berust hebben in de uitspraak van 7 februari 2000 en appellants gemachtigde blijkens de aantekeningen van de behandeling ter terechtzitting bij de rechtbank van 2 juli 2003, haar medische grieven niet handhaaft, staat de medische grondslag van het bestreden besluit niet meer ter beoordeling. Gelet op het verhandelde op evenbedoelde zitting is echter nog wel aan de orde de vraag of de door de verzekeringsarts in het rapport van 5 juli 2000 gegeven nadere omschrijving van de psychisch belastende factoren zoals weergegeven in het FIS-formulier van 25 mei 1993, juist te achten is.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Gedaagdes verzekeringsarts heeft met het aankruisen van de items 28A, 28B en 28E een juiste en volledige omschrijving gegeven van de in het FIS-formulier van 25 mei 1993 genoemde en hiervoor weergegeven psychisch belastende factoren. Het door de gemachtigde ter zitting genoemde item 28H ‘verantwoordelijkheid, afbreukrisico’ ziet naar het oordeel van de Raad niet op voormelde omschrijving.

Uit de rapportages van de arbeidsdeskundigen blijkt dat de geselecteerde functies geen markeringen kennen op de items 28A, 28B en 28E. Voor zover er bij andere items wel sprake van markeringen is, heeft de verzekeringsarts voldoende gemotiveerd waarom deze niet leiden tot overschrijding van de vastgestelde belastbaarheid. Gelet hierop en uitgaande van de juist vastgestelde belastbaarheid, bestaat er naar het oordeel van de Raad geen aanleiding er van uit te gaan dat de geselecteerde functies niet geschikt zouden zijn.

Met betrekking tot de door gedaagde gehanteerde indexcijfers overweegt de Raad als volgt. Aan de stelling van appellant dat hij thans belang heeft bij een rechterlijk oordeel omtrent de vraag of gedaagde uit is gegaan van een onjuist indexcijfer, ligt de gedachte ten grondslag dat met het vaststellen van de hoogte van het maatmaninkomen in de onderhavige zaak, het maatmaninkomen tevens vastligt voor de toekomst en er bij toekomstige procedures van dit maatmaninkomen dient te worden uitgegaan. Deze gedachtegang is niet juist. Volgens vaste jurisprudentie (zie de uitspraak van 7 november 2000, gepubliceerd in USZ 2001,1 en de uitspraak van 14 november 2003, gepubliceerd in USZ 2004,1) kan de aan de concrete vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op een bepaalde datum ten grondslag gelegde keuze met betrekking tot de maatman en het maatmaninkomen steeds volledig worden getoetst.

Nog daargelaten of de stelling dat gedaagde bij de berekening van het maatmaninkomen van verkeerde indexeringscijfers is uitgegaan juist is, stelt de Raad overigens vast dat de berekening van het maatmaninkomen en daarmee van de mate van appellants arbeidsongeschiktheid op basis van het door appellant voor juist gehouden indexeringscijfer niet zou leiden tot indeling in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse. De grief treft reeds daarom geen doel.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, zij het op enigszins andere gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.