Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AU9084

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2006
Datum publicatie
06-01-2006
Zaaknummer
03/4825 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Juistheid dat gedaagde onderhavige werkneemster vanaf de datum in geding onafgebroken arbeidsongeschikt heeft geacht.

Hersteldverklaring eigen werk. Is sprake van onredelijk gebruik procesrecht door werkgeefster.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Algemene wet bestuursrecht 8:59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/4825 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[naam werkgever], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

Aan het geding heeft voorts als partij deelgenomen [naam werkneemster], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: werkneemster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 4 oktober 2001 heeft gedaagde aan werkneemster met ingang van 11 oktober 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Gedaagde heeft het tegen dit besluit door mr. R. van Rees, advocaat te Gouda, namens appellante gemaakte bezwaar bij besluit van 9 juli 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft het door de gemachtigde van appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 9 juli 2002 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 19 augustus 2003, reg.nr. AWB 02/3112 WAO, ongegrond verklaard en daarbij appellante veroordeeld tot vergoeding aan werkneemster van de door laatstgenoemde gemaakte proceskosten.

De gemachtigde van appellante heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Desgevraagd heeft de werkneemster de Raad doen weten dat zij als partij aan het geding in hoger beroep wenst deel te nemen. Tevens heeft zij daarbij toestemming gegeven om haar medische gegevens aan appellante ter kennis te brengen.

Namens de werkneemster is bij brief van 10 december 2003 een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Gedaagde heeft op 16 december 2003 van verweer gediend. Hierop heeft de gemachtigde van appellante bij brief van

29 december 2003 gereageerd, waarna gedaagde desgevraagd zijnerzijds op 20 september 2005 heeft gereageerd.

Bij brief van 11 oktober 2005 heeft mr. H.W. de Groot zich als opvolgend gemachtigde van werkneemster gesteld en evengenoemde reactie van gedaagde onderschreven.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 november 2005, waar voor appellante haar gemachtigde en haar directeur [naam directeur] zijn verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. H. van Wijngaarden, werkzaam bij het Uwv. De werkneemster is - met kennisgeving - ter zitting niet vertegenwoordigd geweest.

II. MOTIVERING

Werkneemster was werkzaam bij appellante als inpakster toen zij zich op 12 oktober 2000 ziek meldde (hierna: de ziekmelding) met schouder-, rug- en handklachten. Een eerdere uitval van werkneemster op 16 augustus 2000 in verband met een epileptische aanval leidde na een hersteldverklaring van werkneemster door de arboarts van appellante met ingang van 17 augustus 2000 tot een deze hersteldverklaring bevestigend deskundigenoordeel van gedaagde van

12 september/12 december 2000. In het kader van dit oordeel heeft de behandelend neuroloog bij brief van 17 oktober 2000 aan gedaagde meegedeeld dat het verrichten van arbeid door werkneemster moet voldoen aan de epilepsievoorwaarden, hetgeen onder andere betekende dat niet gewerkt diende te worden zonder toezicht in een koude omgeving. Werkneemster is naar aanleiding van de ziekmelding op 17 oktober 2000 door de arboarts van appellante onderzocht en met ingang van

20 oktober 2000 volledig arbeidsgeschikt geacht. In verband hiermede heeft gedaagde werkneemster meegedeeld op

17 januari 2001 een aanvraag voor een deskundigenoordeel ontvangen te hebben. In de algemene rapportage deskundigen oordeel van 31 januari 2001 is onder het kopje “Anamnese/beoordelingsgesprek” vermeld dat werkneemster van de arboarts op 20 oktober 2000 weer moest gaan werken, dat haar chef haar opdroeg te werken op de afdeling waar het koud was en dat zij 1 uur heeft gewerkt, waarna zij op staande voet is ontslagen. In januari 2001 is vervolgens bij werkneemster borstkanker vastgesteld. Volgens het deskundigenoordeel kon op grond van de huidige medische gegevens geen harde uitspraak worden gedaan over de vraag of werkneemster op 20 oktober 2000 volledig arbeidsgeschikt moest worden beschouwd en diende aan haar het voordeel van de twijfel te worden gegeven met conclusie dat zij op 20 oktober 2000 niet volledig arbeidsgeschikt werd geacht. Verzekeringsgeneeskundig onderzoek vanwege gedaagde in het kader van de beoordeling van de aanspraak van werkneemster op een WAO-uitkering in aansluiting op het volmaken van de wachttijd leidde tot de conclusie dat werkneemster op het einde van de wachttijd om medische redenen als volledig arbeidsongeschikt diende te worden beschouwd. Vervolgens nam gedaagde, ervan uitgaande dat werkneemster op

10 oktober 2001 gedurende 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was geweest, het primaire besluit van 4 oktober 2001.

In de bezwaarprocedure is namens appellante aangevoerd dat werkneemster op 17 oktober 2000 door de arboarts is onderzocht en met ingang van 20 oktober 2000 arbeidsgeschikt werd verklaard voor het verrichten van aan haar dan wel haar medische beperking aangepaste werkzaamheden bij appellante, dat werkneemster op 20 oktober 2000 heeft hervat, dat werkneemster diezelfde dag na werkweigering op staande voet is ontslagen en dat werkneemster zich voorafgaand aan dit ontslag niet ziek heeft gemeld. Appellante acht het dan ook onjuist dat gedaagde werkneemster vanaf 10 (lees: 12) oktober onafgebroken arbeidsongeschikt heeft geacht. Voorts is van haar zijde in twijfel getrokken of werkneemster een deskundigenoordeel bij gedaagde heeft aangevraagd.

Gedaagde heeft bij het bestreden besluit gewezen op de modaliteiten van de geschiktverklaring van werkneemster met ingang van 20 oktober 2000 en op het deskundigenoordeel inhoudende dat werkneemster op die dag niet volledig arbeidsgeschikt kon worden geacht. Omdat werkneemster op de eerste ziektedag, te weten 12 oktober 2000, bij appellante in dienst was, is appellante als werkgever, aldus gedaagde, verantwoordelijk onder andere in de sfeer van de gedifferentieerde premie ingevolge de WAO.

De rechtbank heeft bij haar beoordeling van het beroep geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het deskundigenoordeel van 30 januari 2001 onjuist was, in verband waarmee het er volgens de rechtbank voor moest worden gehouden dat werkneemster op 20 oktober 2000, mede gelet op haar medische situatie ervoor en erna, ook arbeids- ongeschikt was. Om die reden oordeelde de rechtbank voorts dat gedaagde mocht concluderen dat werkneemster vanaf

12 oktober 2000 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en gedaagde werkneemster met ingang van

11 oktober 2001 terecht een WAO-uitkering heeft toegekend. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en heeft in het feit dat werkneemster zich ter zitting van de rechtbank heeft doen vertegenwoordigen en dat appellante onaangekondigd niet op die zitting is verschenen, in samenhang met de uitkomst van het beroep, aanleiding gezien appellante in de proceskosten van werkneemster te veroordelen.

In hoger beroep is namens appellante het aanhouden van 12 oktober 2000 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag en het uitgangspunt van gedaagde dat werkneemster sedert die dag onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest - onder herhaling en toelichting van de in eerdere fasen van de procedure voorgebrachte zienswijze van appellante met betrekking tot de gebeurtenissen op 20 oktober 2000 en daarna na de hervatting van werkneemster op die dag in aangepast werk met volledige loonwaarde - bestreden.

Namens werkneemster is de visie van appellante bestreden en is gesteld dat werkneemster zich op 20 oktober 2000 wel degelijk andermaal ziek heeft gemeld, dat deze ziekmelding door appellante niet als zodanig is behandeld en dat werkneemster wel degelijk een deskundigenoordeel heeft aangevraagd. Volgens werkneemster was er bovendien sprake van doorlopende arbeidsongeschiktheid en niet van een geschiktverklaring voor haar eigen werk, maar voor aangepaste werkzaamheden.

Gedaagde heeft er in zijn verweerschrift op gewezen dat in het kader van een beoordeling op grond van de Ziektewet niet van belang is of werkneemster geschikt is te achten voor aangepaste werkzaamheden en dat werkneemster vanaf 12 oktober 2000 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest voor haar eigen werk.

Ter zitting van de Raad is van de zijde van appellante desgevraagd verklaard dat werkneemster bij haar werkhervatting onder andere de beschikking kreeg over een stahulp en dat in overleg met de bedrijfsarts werkneemster in verband met haar handklachten geen opdrachten zou krijgen voor de zwaardere onderdelen van haar functie, welke onderdelen bij roulering moesten worden verricht.

Gelet op deze verklaring is naar het oordeel van de Raad, in aanmerking genomen zijn vaste jurisprudentie dat een hersteldverklaring ingevolge de Ziektewet voor het eigen werk alle facetten van de eigen functie dient te omvatten, in dit geval geen sprake van een hervatting van werkneemster op 20 oktober 2000 in haar eigen werk, zodat met gedaagde en werkneemster moet worden geoordeeld dat zij vanaf 12 oktober 2000 doorlopend arbeidsongeschikt is gebleven en, uitgaande van deze dag als eerste arbeidsongeschiktheidsdag ingevolge de WAO, op 10 oktober 2001 de wachttijd ingevolg de WAO heeft volgemaakt. De Raad tekent hierbij nog aan dat evenbedoelde verklaring van appellante in feite de in alle fasen van de procedure steeds schriftelijk gegeven schildering namens appellante bevestigde dat werkneemster hervat had in aangepast werk.

Gelet reeds op het voorgaande is de Raad met de rechtbank van oordeel dat gedaagde bij het bestreden besluit werkneemster, gezien haar medische situatie bij het volmaken van de wachttijd, terecht met ingang van 11 oktober 2001 in aanmerking heeft gebracht voor de in geding zijnde WAO-uitkering.

Wat betreft de veroordeling door de rechtbank van appellante in de proceskosten van werkneemster is de Raad van oordeel dat geen sprake is geweest van een onredelijk gebruik van procesrecht door appellante in beroep. In dit verband wijst de Raad erop dat appellante ook niet door de rechtbank met toepassing van artikel 8:59 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is opgeroepen om ter zitting van de rechtbank bij gemachtigde te verschijnen, zodat ook om die reden het niet vertegenwoordigd zijn van appellante ter zitting van de rechtbank niet behoorde te leiden tot evenbedoelde proceskostenveroordeling.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte standhoudt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd wat betreft de hier bedoelde proceskostenveroordeling en voor het overige dient te worden bevestigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. De Raad acht voorts termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de proceskosten van werkneemster in hoger beroep ten bedrage van € 322,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij appellante is veroordeeld tot vergoeding aan werkneemster van de door haar in beroep gemaakte proceskosten;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt gedaagde in hoger beroep in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,-, en in de proceskosten van werkneemster tot een bedrag van € 322,-, beide bedragen te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 348,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.