Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AU8993

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2006
Datum publicatie
06-01-2006
Zaaknummer
05/194 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen redenen voor toekenning recht op bijstand met verdergaande terugwerkende kracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/194 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland, gevestigd te Gulpen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Als gevolg van het aangaan van een gemeenschappelijke regeling treedt in dit geding het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Pentasz Mergelland in de plaats van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vaals. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vaals.

Namens appellant heeft mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat te Vaals, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 december 2004, reg.nr. 04/9.

Gedaagde heeft bij wijze van verweer verwezen naar de stukken.

Het geding is, gevoegd met het geding met reg.nr. 04/2666, behandeld ter zitting van 22 november 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Nadaud, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door M.T.P.P. Gijsens, werkzaam bij de Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland. Na sluiting van het onderzoek zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. MOTIVERING

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Op 12 mei 2003 heeft appellant zich gemeld bij de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: CWI) voor het aanvragen van een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Op 21 mei 2003 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingediend.

Bij besluit van 23 juni 2003 heeft gedaagde aan appellant recht op bijstand toegekend met ingang van 12 mei 2003. Gedaagde heeft daarbij overwogen dat er geen redenen aanwezig zijn het recht op bijstand met verdergaande terugwerkende kracht toe te kennen.

Bij besluit van 11 november 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 23 juni 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 november 2003 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand moet worden toegekend met ingang van 4 juli 2002. Appellant heeft daartoe in hoofdzaak aangevoerd dat hij zich reeds op 4 juli 2002 en 9 december 2002 bij CWI heeft gemeld en dat hij vanwege zijn psychische toestand buiten staat was om voor 12 mei 2003 een aanvraag om bijstand in te dienen. Tevens heeft hij de Raad verzocht een deskundige te benoemen.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 68a, eerste lid, van de Abw, voorzover hier van belang, bepaalt dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Ingevolge artikel 68a, derde lid, van de Abw kunnen burgemeester en wethouders in afwijking van het eerste lid besluiten dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend indien de belanghebbende de aanvraag niet zo spoedig mogelijk indient nadat hij zich heeft gemeld en hem dit te verwijten valt.

De Raad stelt allereerst vast dat appellant zich op 4 juli 2002, 9 december 2002 en 12 mei 2003 heeft gemeld om bijstand aan te vragen en dat niet eerder dan op 21 mei 2003 een aanvraag om bijstand is ingediend.

De Raad is van oordeel dat appellant de aanvraag niet zo spoedig mogelijk na de meldingen van 4 juli 2002 en 9 december 2002 heeft ingediend. Hij overweegt daartoe dat uit de gedingstukken blijkt dat naar aanleiding van de melding van 4 juli 2002 met appellant een afspraak is gemaakt voor een uitkeringsintake op 16 juli 2002. Appellant heeft zich telefonisch voor die afspraak afgemeld. Appellant heeft daarbij meegedeeld dat hij geen vaste woon- of verblijfadres heeft en zelf contact zal opnemen indien hij over een vaste woon- of verblijfplaats beschikt. Appellant heeft niet eerder contact opgenomen dan op 9 december 2002. Naar aanleiding van de melding van 9 december 2002 is met appellant afgesproken dat hij een aanvraag om bijstand zal indienen zodra duidelijk is dat de Allianz Krankenversicherung A.G. (hierna: Allianz) hem geen ziekengeld meer uitkeert. Nadat Allianz bij brief van 29 januari 2003 aan appellant had meegedeeld dat hij na 31 december 2002 geen recht meer heeft op ziekengeld, heeft het tot 12 mei 2003 geduurd voordat appellant zich opnieuw heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

De Raad is voorts van oordeel dat het appellant is aan te rekenen dat hij de aanvraag niet zo spoedig mogelijk na de meldingen van 4 juli 2002 en 9 december 2002 heeft ingediend. De omstandigheid dat appellant na ontvangst van de brief van 29 januari 2003 bij Allianz bezwaar heeft gemaakt tegen de beëindiging van het ziekengeld, brengt niet mee dat niet -tevens- van hem verlangd kon worden dat hij zo spoedig mogelijk na ontvangst van die brief conform de gemaakte afspraak een aanvraag om bijstand zou indienen. Verder is niet gebleken dat appellant vanwege zijn psychische toestand gedurende de gehele hier van belang zijnde periode buiten staat was om - eventueel met inschakeling van derden - een aanvraag om bijstand in te dienen. De "Bescheinigung des Artztes über vollständige Arbeitsunfähigkeit" van 7 maart 2003, alsmede de verklaring van de behandelend psychiater van appellant van 23 december 2004 bieden daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. De Raad acht daarbij van belang dat appellant zich niet voor november 2004 heeft laten behandelen voor zijn psychische klachten en voorts dat appellant blijkens de verklaring van de maatschappelijk werkster van 4 september 2004 in staat is gebleken om zich in de periode van januari 2003 tot en met mei 2003 diverse malen tot het maatschappelijk werk te wenden voor hulp in verband met materiële problemen.

Gelet op het vorenstaande was gedaagde op grond van artikel 68a, derde lid, van de Abw bevoegd het recht op bijstand toe te kennen vanaf 12 mei 2003. Daarvan uitgaande kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van die bevoegdheid gebruik te maken.

Voor het benoemen van een deskundige bestaat, gelet op het voorgaande, geen grond.

Het hoger beroep slaagt derhalve niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Polderman-Eelderink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2006.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.