Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:BA9598

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-05-2005
Datum publicatie
16-07-2007
Zaaknummer
05/4102 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4102 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 24 mei 2005, 04/1522 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft H.J.A. Aerts, juridisch medewerker bij Delescen & Scheers advocaten te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij de brieven van 7 mei 2007 en

16 mei 2007 heeft het Uwv nog nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2007. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer W.J.M.H. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is op 30 juni 2003 na een bedrijfsongeval arbeidsongeschikt geworden voor zijn werkzaamheden als steigerbouwer. Hij is van enkele meters hoogte gevallen, waarbij appellant een pols- en een knieletsel heeft opgelopen. Daarnaast zijn klachten ontstaan van de armen, schouders, nek en onderrug.

Bij besluit van 2 juli 2004 is appellant bij wijze van voorschot met ingang van

28 juni 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. De uitkering is in de vorm van een voorschot toegekend, omdat het Uwv nog diende te onderzoeken of appellant recht had op een uitkering van een andere mogendheid, die tot een korting van de WAO-uitkering zou kunnen leiden.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt voor zover het de mate van arbeidsongeschiktheid per 28 juni 2004 betreft. Hij betoogde dat duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid bij hem ontbreken. De verzekeringsarts heeft volgens appellant zijn fysieke beperkingen en psychische kwestbaarheid als gevolg van het ongeval onderschat. Namens appellant zijn ter onderbouwing van het bezwaar verschillende medische rapportages aan het Uwv verstrekt. Het betreft informatie van behandelend artsen, te weten de neuroloog A.A.J. Schyns-Soeterbroek, orthopaedisch chirurg C. van der Jagt en huisarts J.J.M. Welzen. Verder gaat het om twee brieven van de arts J.F.G.M. Thissen, medisch adviseur letselschade, waarin de brieven van genoemde neuroloog en orthopaedisch chirurg worden besproken.

Het Uwv heeft in zijn besluit van 30 november 2004 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is mede gebaseerd op de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Tjen d.d. 29 november 2004. In deze rapportage geeft de bezwaarverzekeringsarts aan dat uit neurologisch en orthopedisch chirurgisch onderzoek geen ernstige ongevalspathologie naar voren is gekomen en dat de klachten van appellant daarin als voorbijgaand werden aangeduid. De bezwaarverzekeringsarts bespreekt in genoemde rapportage ook de door appellant overgelegde medische informatie. Wat de brieven van medisch adviseur Thissen van 29 april 2004 en 4 mei 2004 betreft, merkt de bezwaarverzekeringsarts op dat daarin geen conclusies over appellants belastbaarheid worden getrokken, maar alleen over het oorzakelijk verband tussen het ongeval en de klachten. Voorts overweegt de bezwaarverzekeringsarts dat er door de verzekeringsarts beperkingen in de belastbaarheid van appellants armen, handen, knieën en nek zijn aangenomen en dat hem daarmee gelet op de gegevens uit de behandelende sector, het ontbreken van duidelijke pathologische afwijkingen en de tijd die is verstreken tussen het ongeval en de datum in geding geen tekort is gedaan.

Tegen het bestreden besluit heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank Roermond. In beroep heeft appellant verwezen naar de in bezwaar aangevoerde gronden en de in dat kader overgelegde medische informatie. Verder heeft het Uwv in verband met de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (o.a. LJN 4718) over het Claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS) een rapportage van arbeidsdeskundige Oosterbaan van 27 januari 2005 in het geding gebracht, waarin de passendheid van twee van de aan appellant geduide functies nader werd gemotiveerd. Het standpunt dat de geduide functies passend zijn werd gehandhaafd.

In de aangevallen uitspraak overwoog de rechtbank dat zij geen aanknopingspunten had gevonden om het medisch oordeel van de verzekeringsartsen van het Uwv in twijfel te trekken. Uit de overgelegde medische informatie blijkt volgens de rechtbank niet dat de beperkingen van appellant ernstiger zijn dan door het Uwv is aangenomen.

Voorts overwoog de rechtbank dat zij evenmin reden zag om te concluderen dat de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit de rechterlijke toets niet kan doorstaan. De rechtbank overwoog echter ook dat het bestreden besluit eerst in beroep is voorzien van een afdoende arbeidskundige motivering. Onder verwijzing naar genoemde uitspraken van de Raad van 9 november 2004 heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd, maar heeft zij de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten.

In hoger beroep is de vraag aan de orde of het Uwv in het bestreden besluit de beslissing om appellants mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de WAO vast te stellen op

15-25% terecht en op goede gronden heeft gehandhaafd.

De Raad stelt voorop dat het Uwv in genoemde brieven van 7 mei en 16 mei 2007 heeft aangegeven het bestreden besluit niet langer te kunnen handhaven. Het Uwv heeft geconstateerd dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zogenaamde verborgen beperkingen bevat, en door de bezwaarverzekeringsarts moest worden bijgesteld. Daarna heeft de bezwaararbeidsdeskundige de geduide functies opnieuw beoordeeld, waarbij is gebleken dat het bestreden besluit niet op basis van die functies kan worden gehandhaafd. Het Uwv heeft de Raad in overweging gegeven het bestreden besluit te vernietigen.

Op grond van het door het Uwv in genoemde brieven verwoorde standpunt komt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Hieruit volgt ook dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Uit genoemde brieven van het Uwv blijkt immers dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, het bestreden besluit een deugdelijke arbeidskundige grondslag ontbeert. Nu het Uwv zich zelf op het standpunt stelt dat het bestreden besluit op arbeidskundige gronden niet in stand kan blijven, zal de Raad dit besluit en de aangevallen uitspraak vernietigen.

Voorts overweegt de Raad nog het volgende, met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad stelt vast dat appellant in hoger beroep naar de kern genomen dezelfde gronden heeft aangevoerd als in bezwaar en in beroep. Ook in hoger beroep wordt verwezen naar de in bezwaar overgelegde medische informatie. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat door appellant geen medische informatie is overgelegd waaruit volgt dat er meer, andere of ernstiger beperkingen moeten worden aangenomen dan die door de verzekeringsarts werden aangenomen in de rapportage en FML van 3 mei 2004. Appellant heeft geen met objectieve medische gegevens onderbouwde argumenten aangevoerd die kunnen leiden tot twijfel aan de juistheid van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts en de rechtbank dat appellants beperkingen niet zijn onderschat. De Raad constateert dat de door het Uwv aangenomen beperkingen van handen, armen, knieën en nek aansluiten bij de bevindingen van behandelend orthopaedisch chirurg Van der Jagt, die (rest)letsels aan de linkerpols en de rechterknie constateerde en bij die van behandelend neuroloog Schyns-Soeterbroek, die beperkingen ten aanzien van het buigen van de linkerpols en de nek heeft vastgesteld maar voor het overige geen neurologische afwijkingen heeft vastgesteld.

Appellant heeft verzocht om vergoeding van zijn proceskosten en heeft de Raad verzocht te bepalen dat het Uwv wettelijke rente verschuldigd is.

Met betrekking tot de wettelijke rente overweegt de Raad het volgende. Uit het hiervoor overwogene blijkt dat het bestreden besluit moet worden vernietigd en dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over de wettelijke rente uit te spreken, omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit op bezwaar zal gaan luiden. Het Uwv zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen aanwezig zijn om de wettelijke rente te vergoeden.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en

B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) O.C. Boute.

JL