Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AX8364

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2005
Datum publicatie
13-06-2006
Zaaknummer
04-4387 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag buschauffeur na niet voltooien van opleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4387 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 juli 2004, nr. AWB 03/2938 AW R GVZ VT, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en desgevraagd een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 oktober 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. F.F. van Norel, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand. Namens gedaagde is ter zitting verschenen mr. V. Wiegman, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is per 1 januari 2003 als metrobestuurder aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd van 2 jaar bij de divisie Metro van de Rotterdamse Elektrische Tram. Voorafgaand aan die aanstelling heeft appellant een rijproef afgelegd op de metro, is hij medisch gekeurd en heeft hij een psychologische test ondergaan. Op basis van de resultaten daarvan is appellant geschikt bevonden voor de functie van metrobestuurder. De werkzaamheden van appellant zijn aangevangen met de opleiding tot metrobestuurder. Op 19 maart 2003 heeft appellant, na raadplegen van zijn huisarts, aangegeven te stoppen met die opleiding, omdat hij angst had om de metro te besturen. Appellant heeft zich vervolgens ziek gemeld. In overleg met appellant heeft gedaagde appellant aangemeld bij bureau Werving en Selectie, ten einde te bezien of hij de opleiding tot buschauffeur bij de afdeling Bus zou kunnen gaan volgen. Op 31 maart 2003 heeft appellant met goed gevolg een rijproef met een bus afgelegd. Op 2 april 2003 heeft appellant aan medewerkers van de afdelingen P&O en Instructie aangegeven dat hij zich vanwege spanningsklachten terugtrok voor de functie van buschauffeur. Tijdens een spreekuurcontact op diezelfde dag heeft de bedrijfsarts appellant per 7 april 2003 weer arbeidsgeschikt verklaard.

1.2. Bij besluit van 3 april 2003 heeft gedaagde de tijdelijke aanstelling van appellant op grond van artikel 88, vierde en zesde lid, van het Ambtenarenreglement van de gemeente Rotterdam (AR) met onmiddellijke ingang beëindigd. Uiteindelijk heeft gedaagde per 1 mei 2003 aan appellant ontslag verleend.

1.3. Bij besluit van 23 september 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard. Aan dat besluit heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat in alle redelijkheid de verwachting kan worden uitgesproken dat appellant niet in de functie metrobestuurder of buschauffeur zal kunnen worden geplaatst en appellant derhalve niet aan in redelijkheid te stellen eisen en verwachtingen behorend bij zijn functie heeft voldaan.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. Op grond van artikel 88, vierde lid, aanhef en onder c, van het AR kan aan een ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd ontslag worden verleend met ingang van een dag gelegen binnen de bepaalde tijd.

4.2. In geding is de handhaving van het besluit om aan appellant ontslag te verlenen met ingang van een binnen de proeftijd gelegen tijdstip. De toetsing van een dergelijk besluit is terughoudend en beperkt zich, naast de overigens in aanmerking komende toetsing van het bestreden besluit aan geschreven of ongeschreven rechtsregels en algemene rechtsbeginselen, tot de vraag of het bestuursorgaan in redelijkheid tot het oordeel is kunnen komen dat de betrokken ambtenaar niet aan de door het bestuursorgaan redelijkerwijs te stellen eisen en verwachtingen heeft voldaan.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant de opleiding tot metrobestuurder heeft gestaakt omdat de functie van metrobestuurder te stresserend voor hem was. Gelet hierop heeft gedaagde naar het oordeel van de Raad zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellant niet in de functie van metrobestuurder zou kunnen worden geplaatst omdat hij de daartoe vereiste opleiding niet langer wilde volgen.

4.4. Appellant heeft zich echter op het standpunt gesteld dat hij zich daarna niet heeft teruggetrokken uit de opleiding tot buschauffeur, doch die opleiding destijds slechts voor de duur van zijn ziekte had gestaakt. De Raad kan dat standpunt niet volgen en overweegt daartoe dat uit de gedingstukken naar voren komt dat appellant op 2 april 2003 aan twee mensen binnen de organisatie te kennen heeft gegeven de busopleiding niet te gaan volgen. Voorts volgt uit de bewoordingen van het bezwaarschrift van 4 april 2003 en ook uit hetgeen nadien in de bezwaarprocedure door appellant is aangevoerd dat appellant het vanwege spanningsklachten absoluut niet verantwoord vond om verder te gaan als buschauffeur en dat hij gedaagde nog heeft verzocht om hem een andere passende functie aan te bieden.

Gedaagde kon derhalve in redelijkheid besluiten om appellant op een tijdstip gelegen binnen de proeftijd ontslag te verlenen.

4.5. Voorts is de Raad niet gebleken dat gedaagde in de gegeven omstandigheden op andere gronden gehouden zou zijn om appellant toe te laten tot de opleiding tot buschauffeur of om appellant een andere passende functie aan te bieden.

4.6. Ter zitting heeft de gemachtigde van gedaagde aangegeven dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd met in stand laten van de rechtsgevolgen, omdat in het bestreden besluit ten onrechte artikel 13, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder c, van het AR als aanstellingsgrond is genoemd, terwijl de aanstelling blijkens het aanstellingsbesluit van 11 februari 2003 is gebaseerd op artikel 13, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van het AR. De Raad overweegt dat de grond waarop appellant in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd is aangesteld blijkens artikel 88, vierde lid, van het AR niet van belang is voor de toepassing van die ontslagbepaling. Ook overigens is niet gebleken dat appellant is benadeeld door de vermelding van de onjuiste aanstellingsgrond in het bestreden besluit, zodat het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand kan blijven. In het vorenstaande ziet de Raad wel aanleiding te bepalen dat gedaagde het griffierecht in eerste aanleg en hoger beroep aan appellant vergoedt.

5. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in het totaal € 221,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2005.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.