Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AV7801

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2005
Datum publicatie
31-03-2006
Zaaknummer
04/2763 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluit inzake de aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging met toepassing van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder o, van het Brra. Afwijzing verzoek tot verlening vakantieverlof. Hernieuwd medisch onderzoek. Schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/2763 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het bestuur van de Rechtbank [naam arrondissement], verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Eiser heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 5 april 2004.

Namens verweerder is een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft een nader stuk ingezonden.

Bij uitspraak van 1 maart 2004 heeft de voorzieningenrechter van de Raad een verzoek van eiser tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 oktober 2005, waar eiser in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en [voorzitter], voorzitter van de sector Civiel Recht van de rechtbank [arrondissement].

II. MOTIVERING

1.1. Eiser is als rechter verbonden aan de rechtbank [arrondissement].

Na een periode van ziekte is hij door de bedrijfsarts ingaande 19 juli 2002 hersteld verklaard. Aangezien eiser het hiermee niet eens was, heeft hij de Arbo-dienst van de rechtbank bij brief van 24 juli 2002 verzocht om een hernieuwd onderzoek als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Brra).

1.2. Bij besluit van 22 augustus 2002 (besluit 1) heeft verweerder eiser bericht dat zijn aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging met toepassing van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder o, van het Brra, vervalt met ingang van de dag na ontvangst van dit besluit, tot het moment waarop hij zijn werkzaamheden volledig hervat dan wel het moment waarop de commissie van drie geneeskundigen zijn bedenkingen tegen de hersteldverklaring gegrond zou bevinden.

1.3. Bij besluit van 10 september 2002 (besluit 2) heeft verweerder het verzoek van eiser om hem met ingang van 26 augustus 2002 voor de duur van zeven weken vakantieverlof te verlenen, afgewezen.

1.4. Op 13 september 2002 heeft eiser zich opnieuw ziek gemeld.

1.5. Bij besluit van 21 februari 2003 (besluit 3) heeft verweerder eiser te kennen gegeven dat zijn verzoek om een hernieuwd medisch onderzoek in de zin van artikel 14, tweede lid, van het Brra als ingetrokken wordt beschouwd omdat eiser niet heeft gereageerd op een op 7 oktober 2002 aan hem gericht verzoek een aanvraagformulier in te vullen. Daarbij is eiser er op gewezen dat dit meebrengt dat hij zonder recht of titel geweigerd heeft zijn ambtsbezigheden tussen 19 juli en 12 september 2002 te hervatten.

1.6. Bij besluit van 4 december 2003 (besluit 4) heeft verweerder eiser op grond van artikel 13, eerste lid, van het Brra verplicht om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een psychiater te ondergaan. Eiser is hierbij tevens verzocht c.q. gelast de bijgevoegde machtiging voor overdracht van medische gegevens voor akkoord te tekenen en aan de Arbo-dienst door te zenden.

1.7. Bij besluit van 14 januari 2004 (besluit 5) heeft verweerder eiser bericht dat zijn aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging met toepassing van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder g en p, van het Brra, vervalt met ingang van de dag na ontvangst van dit besluit tot het moment waarop hij alsnog onverkort aan zijn verplichtingen in het kader van de bedrijfsgeneeskundige begeleiding voldoet.

1.8. Bij brief van 21 januari 2004 heeft verweerder eiser er op gewezen dat onder de in besluit 4 opgelegde verplichting ook valt het onverwijld maken van een afspraak met de psychiater.

2. Bij het bestreden besluit van 5 april 2004 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen besluit 1 en tegen de brief van 21 januari 2004 niet-ontvankelijk verklaard en zijn bezwaren tegen de besluiten 2, 3, 4 en 5 ongegrond verklaard.

3. Ter zitting heeft eiser zijn beroep ingetrokken voorzover dit de ongegrondverklaring van zijn bezwaar tegen besluit 2 betreft.

Naar aanleiding van hetgeen partijen overigens in dit geding naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Met betrekking tot de door eiser ingebrachte procedurele grieven merkt de Raad op dat geen grond bestaat voor het oordeel dat eiser door verweerder niet op genoegzame wijze op zijn bezwaren is gehoord noch voor het oordeel dat eiser niet tijdig de beschikking had over de voor de motivering van zijn bezwaren relevante stukken.

De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen besluit 1

3.2. Gebleken is dat aan besluit 1 in het geheel geen uitvoering is gegeven en dat dit besluit bij besluit van 23 december 2002 is ingetrokken. Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat van belang van eiser bij behandeling van zijn bezwaar tegen besluit 1 niet meer kon worden gesproken zodat dit bezwaar niet-ontvankelijk was. De Raad stemt hiermee in. Voorzover eiser van mening is dat het eerste lid van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hier van toepassing is, omdat verweerder zijn in besluit 1 verwoorde opvatting dat eiser in de periode vanaf 19 juli 2002 (tot 13 september 2002) zijn werk heeft verzuimd in een later schrijven (alsnog) heeft gehandhaafd, kan de Raad hem hierin niet volgen. Het betreft hier immers slechts de aan besluit 1 ten grondslag gelegde motivering die als zodanig niet op rechtsgevolg is gericht. Van een besluit is in zoverre geen sprake zodat toepasselijkheid van evengenoemde bepaling niet aan de orde kan zijn. Voorts is van enig resterend processueel belang, zoals in het derde lid bedoeld, niet gebleken.

De ongegrondverklaring van het bezwaar tegen besluit 3

3.3. Naar het oordeel van de Raad dient dit besluit, nu gebleken is dat eiser zelf niet beoogd heeft of van zins was zijn verzoek om een hernieuwd medisch onderzoek in te trekken, te worden opgevat als een besluit van verweerder om de uitvoering van dit verzoek door zijn Arbo-dienst stop te zetten. Niet valt in te zien dat voor eiser nog een belang aanwezig was bij een vernietiging van dit besluit. Zoals onder 3.2. is overwogen, is de bezoldiging van eiser over de periode waarop het gevraagde hernieuwde medisch onderzoek betrekking zou hebben immers steeds doorbetaald, terwijl verweerder aan het niet werken van eiser in deze periode ook overigens geen rechtspositionele gevolgen heeft verbonden of zal verbinden.

Waar in besluit 3 nog is opgemerkt dat eiser ten onrechte zijn werkzaamheden in meergenoemde periode niet heeft verricht, overweegt de Raad nog dat in dit opzicht geen sprake is van een besluit. Nu verweerder - bij monde van zijn president - daaraan niet de conclusie heeft verbonden dat eiser zijn ambtsplichten heeft verwaarloosd in de zin van de voor hem geldende rechtspositionele voorschriften, kan deze enkele opmerking niet geacht worden van zodanige rechtspositionele betekenis te zijn dat een ander oordeel op zijn plaats zou zijn.

Gelet op een en ander had verweerder het bezwaar van eiser tegen besluit 3 niet-ontvankelijk moeten verklaren.

De ongegrondverklaring van het bezwaar tegen besluit 4

3.4. Verweerder heeft buiten een onderzoek van eiser door een cardioloog en een internist, waartegen eiser geen overwegende bezwaren had, ook een onderzoek door een psychiater noodzakelijk geacht. Naar eiser heeft aangevoerd, heeft de bedrijfsarts aanvankelijk voorgesteld om te beginnen met onderzoek door een cardioloog en een internist en pas in tweede instantie een onderzoek door een psychiater te laten plaatsvinden. Volgens eiser kan hiermee niets anders zijn bedoeld dan dat dit laatste onderzoek achterwege kon blijven indien de onderzoeken door de cardioloog en de internist voldoende duidelijkheid zouden geven over zijn gezondheidstoestand.

Dienaangaande overweegt de Raad dat uit de stukken blijkt dat de bedrijfsarts aanvankelijk een afspraak met eiser had gemaakt in de lijn als door eiser in beroep aangegeven. Op verzoek van verweerder heeft de bedrijfsarts evenwel nadien de drie beoogde medische onderzoeken alle tegelijk bij de betrokken specialisten aangevraagd. Kennelijk heeft de bedrijfsarts zich dus kunnen vinden in de argumenten van verweerder voor deze aanpak.

Aangezien eiser al geruime tijd zijn werkzaamheden niet meer verrichtte en niet duidelijk was of, en zo ja in hoeverre, eiser zich daartoe terecht op zijn gezondheidstoestand beriep, is niet onjuist of onredelijk dat verweerder, en in navolging daarvan de bedrijfsarts, het standpunt heeft ingenomen dat de drie nodig geachte medische onderzoeken - en met name ook het onderzoek door een psychiater - met (enige) voortvarendheid ter hand dienden te worden genomen. Het beroep richt zich hier dan ook vergeefs tegen.

Voorts is niet onjuist het standpunt van verweerder dat de overdracht van medische gegevens door de voorgaande arbodienst nodig was voor de bedrijfsgeneeskundige begeleiding door de opvolgende arbodienst en dat het dus in beginsel op de weg van eiser lag hieraan zijn medewerking te verlenen.

De stelling van eiser dat, wanneer hem gevraagd wordt om toestemming voor overdracht van medische gegevens, hij die toestemming ook mag weigeren is op zichzelf niet onjuist. Dit neemt echter niet weg dat eiser bij het weigeren van medewerking aan de bedrijfsgeneeskundige begeleiding artikel 23 van het Brra op zich van toepassing doet worden.

De ongegrondverklaring van het bezwaar tegen besluit 5

3.5. De aanleiding tot het besluit om de doorbetaling van eisers bezoldiging te staken totdat hij aan al zijn verplichtingen in het kader van de bedrijfsgeneeskundige begeleiding heeft voldaan, was gelegen in het feit dat eiser om onbekende redenen heeft geweigerd zich op 29 december 2003 door een internist van het Gelre ziekenhuis te Apeldoorn te laten onderzoeken, dit terwijl eiser zich op grond van besluit 4 ten volle bewust diende te zijn van het verplichtende en dwingende karakter van een verzoek om zich aan het door de bedrijfsarts ingeleide onderzoek te onderwerpen.

Eiser heeft hiertegen ingebracht dat hij op de late namiddag van 24 december 2003 door de secretaresse van de betrokken internist is gebeld voor een reeds op 29 december 2003 te houden onderzoek. Eiser heeft toen gevraagd of het onderzoek niet op een andere datum kon plaatsvinden. In normaal overleg is de onderzoeksdatum vervolgens bepaald op de eerstvolgende datum waarop de internist in verband met diens vakantie hiervoor beschikbaar was, te weten 4 februari 2004. Eiser zegt niet te hebben geweigerd aan het onderzoek mee te werken. Hij heeft hieraan toegevoegd dat verweerder hem bij brief van 23 december 2003 had laten weten dat de afspraken voor de onderzoeken (eerst) in januari 2004 konden worden tegemoet gezien.

3.5.1. De Raad overweegt dat van een schriftelijke oproeping voor het onderzoek op 29 december 2003 geen sprake is geweest en dat uit de stukken niet kan worden opgemaakt op welke wijze eiser door de secretaresse van de internist voor dit onderzoek is benaderd. In het bijzonder blijkt niet dat eiser is voorgehouden dat er vanwege verweerder sterk aan werd gehecht dat het onderzoek reeds op deze datum zou worden gehouden. Daarbij is tevens van belang dat eiser er op grond van de brief van verweerder van 23 december 2003 van kon uitgaan dat de onderzoeken niet eerder dan in januari of (begin) februari 2004 zouden behoeven plaats te vinden. Het onderzoek is in feite op 4 februari 2004 uitgevoerd. Onder deze omstandigheden kan het er niet voor worden gehouden dat eiser niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 23, eerste lid, aanhef en onder g en p van het Brra. De enkele vermelding in een brief van 5 januari 2004 van de bedrijfsarts aan eiser dat “de secretaresse kon vermelden, dat u vond dat het wel kon wachten” maakt dit geenszins anders.

Dit brengt mee dat verweerder in zoverre de bevoegdheid miste om aan deze bepaling toepassing te geven.

3.5.2. Met betrekking tot de vertraging die is opgetreden ten aanzien van het onderzoek door een psychiater acht de Raad van belang dat eiser op 11 december 2003 bezwaar heeft gemaakt tegen de opdracht bij besluit 4 tot het ondergaan van een psychiatrisch onderzoek en een verzoek heeft gedaan bij de voorzieningenrechter van de Raad om de werking van die beslissing te schorsen. Verweerder heeft, toen hem medio januari 2004 duidelijk werd dat eiser zich - niet geheel onbegrijpelijk - in afwachting van de uitspraak op dat verzoek niet gehouden achtte in te gaan op een door de psychiater voorgestelde onderzoeksdatum, volstaan met een waarschuwende brief, maar geen aanleiding gezien eiser voor een vastgestelde datum voor zo’n onderzoek op te roepen. Eiser is uiteindelijk pas op 12 mei 2004 opgeroepen voor een psychiatrisch onderzoek en aan die oproep heeft hij gevolg gegeven. Ook in zoverre is de Raad van oordeel dat voor verweerder geen grond bestond om toepassing te geven aan artikel 23, eerste lid, aanhef en onder g en p van het Brra.

De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de brief van 21 januari 2004

3.6. Verweerder is van mening dat deze brief niet een besluit in de zin van de Awb bevat omdat het daarin vermelde niet op zelfstandig rechtsgevolg is gericht. De Raad deelt dit oordeel. In de brief van 21 januari 2004 is immers geen verplichting voor eiser te lezen die anders is of verder gaat dan de hem reeds bij besluit 4 opgelegde verplichtingen. Tegen deze brief stond dan ook geen voorziening op grond van de Awb open.

3.7. Tenslotte merkt de Raad op dat het beroepschrift van eiser mede is gericht tegen een besluit van verweerder van 27 mei 2004. Dit betreft evenwel een primair besluit waartegen eiser bezwaar bij verweerder heeft gemaakt, welk bezwaar blijkens het verhandelde ter zitting inmiddels bij besluit van 18 oktober 2005 ongegrond is verklaard. Beroep stond tegen het besluit van 27 mei 2004 niet open. Evenmin betreft het een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb.

3.8. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van eiser tegen het besluit van 5 april 2004, voorzover dit besluit 3 en besluit 5 betreft, gegrond moet worden verklaard. Het bestreden besluit van 5 april 2004 komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De Raad ziet voorts aanleiding zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar tegen besluit 3 niet-ontvankelijk te verklaren en besluit 5 ook te vernietigen.

Voor het overige dient het beroep tegen het besluit van 5 april 2004 ongegrond te worden verklaard.

Ten slotte moet ook het beroep tegen het besluit van 27 mei 2004 niet-ontvankelijk worden verklaard.

4. De gevraagde vergoeding van wettelijke rente over de nabetalingen van de bij besluit 5 stopgezette bezoldiging komt voor toewijzing in aanmerking. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 8 maart 2001, LJN ZF4260, TAR 2001, 57) is deze rente verschuldigd over de bruto nabetalingen vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de betalingen hadden moeten plaatsvinden tot aan de dag van algehele voldoening toe. Hierbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van eiser, ten bedrage van € 24,62 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep tegen het besluit van 5 april 2004 gegrond voor zover dit de besluiten 3 en 5 betreft;

Vernietigt het besluit van 5 april 2004 in zoverre;

Verklaart het bezwaar tegen besluit 3 niet-ontvankelijk;

Vernietigt besluit 5;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 5 april 2004 voor het overige ongegrond;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 27 mei 2004 niet-ontvankelijk;

Veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 24,62, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade als in overweging 4 is uiteengezet;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op

1 december 2005.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botanga.

HD

05.12

Q