Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AV6406

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2005
Datum publicatie
27-03-2006
Zaaknummer
05-6930 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Spoedeisend belang aangenomen. Herplaatsingsonderzoek. Passende functie. Werkgever dient aanvullende opleiding te verzorgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6930 AW-VV

U I T S P R A A K

van

DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP

inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

de Raad van Bestuur van het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam, gedaagde.

I. INLEIDING

Namens verzoeker is bij brief van 4 november 2005 de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage verzocht een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot het besluit van gedaagde van 5 oktober 2005, waarbij - onder meer - aan verzoeker met ingang van 1 januari 2006 eervol ontslag is verleend.

Bij brief van 24 november 2005 is dat verzoek doorgezonden aan de Raad.

Namens verzoeker zijn nadere stukken ingezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 21 december 2005 waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. H.D. van Duijvenbode, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A. Bijker en M. Faber, werkzaam bij het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam.

II. MOTIVERING

1. Voor de beoordeling van het onderhavige verzoek gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoeker, sinds 1987 in dienst bij gedaagde, was tot 1 juli 2000 werkzaam als Verpleegkundig Manager. In verband met een reorganisatie bij gedaagde is deze functie komen te vervallen. Gedaagde heeft verzoeker per 1 september 2001 aangesteld in de functie van unithoofd zorgeenheid KNO. Daarbij is meegedeeld dat voor 1 september 2002 een beoordeling zal worden vastgesteld en dat er bij een onvoldoende beoordeling zal worden bezien of verzoekers aanstelling in bovengenoemde functie kan worden gecontinueerd of dient te worden beëindigd. In laatstgenoemde situatie geldt het Sociaal Beleidskader AZR (SBK).

1.2. In verband met een onvoldoende beoordeling, waartegen door verzoeker geen bezwaar is gemaakt, heeft gedaagde bij besluit van 30 augustus 2002 bepaald dat de proeftijd van verzoeker wordt verlengd tot 1 september 2003.

1.3. Bij besluit van 4 juli 2003 heeft gedaagde de op 1 mei 2003 opgemaakte beoordeling van verzoeker over de periode van augustus 2002 tot maart 2003 vastgesteld. Het eindoordeel luidde “onvoldoende”.

1.4. Bij besluit van 21 mei 2003 heeft gedaagde bepaald dat in verband met diens functioneren de periodieke salarisverhoging per 1 mei 2003 niet aan verzoeker zal worden toegekend.

1.5. Bij besluit van 17 juni 2003 heeft gedaagde verzoeker met ingang van 19 juni 2003 tijdelijk geplaatst op afdeling A3, locatie Daniel den Hoed, als (senior) verpleegkundige. Gedaagde heeft aan verzoeker bij brief van 18 juli 2003 het voornemen meegedeeld

om hem eervol ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid voor zijn functie. Tevens is meegedeeld dat verzoeker als herplaatsingskandidaat bij het loopbaancentrum zal worden aangemeld.

1.6. Bij besluit van 19 december 2003 heeft gedaagde - voorzover hier van belang - het bezwaar tegen de beoordeling ongegrond verklaard, met dien verstande dat de motivering is aangevuld met de tijdens de hoorzitting genoemde voorbeelden, en de bezwaren tegen het niet toekennen van de periodieke salarisverhoging en het tijdelijk opdragen van andere werkzaamheden eveneens ongegrond verklaard.

1.7. Bij besluit van 22 januari 2004 heeft gedaagde aan verzoeker per 1 mei 2004 eervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor zijn functie. De voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage heeft het ontslagbesluit bij uitspraak van 14 mei 2004 geschorst tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar. Bij besluit van

20 juli 2004 heeft gedaagde het bezwaar van verzoeker in zoverre gegrond verklaard dat aan verzoeker per 1 september 2004 ontslag wordt verleend op grond van artikel 12.8, zevende lid, CAO-AZ wegens reorganisatie.

1.8. De voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage heeft het ontslagbesluit bij uitspraak van 31 augustus 2004 geschorst totdat op het beroep is beslist. Verzoeker is vanaf september 2004 gedurende het herplaatsingsonderzoek werkzaam als Stafadviseur van de Manager Clusterbureau.

1.9. Bij uitspraak van 2 augustus 2005, reg.nrs. AWB 04/499 AW en AWB 04/3259 AW, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage - voorzover hier van belang - het beroep voorzover gericht tegen de beoordeling en tegen het niet toekennen van de periodieke salarisverhoging gegrond verklaard, het besluit van 19 december 2003 in zoverre vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak en het beroep tegen het opdragen van andere werkzaamheden ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - onder meer - overwogen dat gedaagde de negatieve beoordeling van verzoeker in onvoldoende mate met feiten heeft onderbouwd. Voorts heeft de rechtbank het beroep tegen het ontslag gegrond verklaard, het besluit van 20 juli 2004 vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde een onjuiste rechtsgrond aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd, nu ontslag op basis van artikel 12.8, zevende lid, van de CAO-AZ slechts kan worden verleend binnen een periode van één jaar nadat de betrokken ambtenaar

na een reorganisatie zijn nieuwe werkzaamheden is gaan vervullen. Verzoeker is na reorganisatie met ingang van 1 september 2001 geplaatst op de functie van Unithoofd Zorgeenheid KNO, zodat de in artikel 12.8, zevende lid, CAO-AZ bedoelde termijn ruimschoots was overschreden.

1.10. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemde uitspraak, welk beroep bij de Raad aanhangig is onder de nrs. 05/5733 AW, 05/5737 AW en 05/6853 AW.

1.11. Ter uitvoering van die uitspraak heeft gedaagde bij besluit van 5 oktober 2005 opnieuw op verzoekers bezwaren beslist. Daarbij heeft gedaagde de bezwaren tegen de beoordeling en het niet-toekennen van een periodieke salarisverhoging ongegrond verklaard. Verder heeft gedaagde het door verzoeker bestreden ontslagbesluit van

22 januari 2004 gehandhaafd met dien verstande dat aan verzoeker met ingang van

1 januari 2006 eervol ontslag wordt verleend wegens ongeschiktheid voor zijn functie.

1.12. Verzoeker, die zich met laatstgenoemd besluit niet kan verenigen, heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank ’s-Gravenhage en tevens de voorzieningenrechter van die rechtbank om een voorlopige voorziening verzocht, welk verzoek, zoals hiervoor in rubriek I. is aangegeven, ingevolge artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aan de Raad is doorgezonden.

2. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het nieuwe besluit op bezwaar geen stand

zal kunnen houden. Ten betoge van het spoedeisend belang heeft verzoeker aangevoerd dat hij door het besluit zijn inkomsten uit dienstverband verliest en, gelet op zijn mogelijkheden tot herplaatsing bij gedaagde, belang heeft bij continuering van zijn huidige werkzaamheden.

3. Naar aanleiding van dit verzoek overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de

Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ook, indien, zoals in dit geval, in een aanhangig hoger beroep met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19 van de Awb

- naar alle waarschijnlijkheid - mede betrokken zal worden een ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nieuw besluit waarmee niet is tegemoetgekomen aan het bezwaar van belanghebbende, kan ter zake van dat besluit de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2. Gelet op de situatie van verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van voldoende spoedeisend belang.

3.3. In dit geval komt dan, gelet op het verzoek, de vraag in beeld of het in redelijke mate waarschijnlijk is dat het ontslag, zoals verleend in het nieuwe besluit van 5 oktober 2005, in rechte niet houdbaar is. Daarbij wordt opgemerkt dat een oordeel hierover een voorlopig karakter draagt en niet bindend is voor de uitspraak van de Raad in de hoofdzaak.

3.4. Het ontslag van verzoeker is gebaseerd op de onder punt 1.3. genoemde beoordeling, zoals nader gemotiveerd, en op de uitkomst van het door gedaagde verrichte herplaatsingsonderzoek. Het onderhavige verzoek richt zich - zoals ter zitting desgevraagd is bevestigd - met name op het herplaatsingsonderzoek. Daaromtrent overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.5. Zowel wanneer de bepalingen van het SBK op verzoeker van toepassing zijn gebleven als wanneer de richtlijn 10A Herplaatsingen zou gelden, dient gedaagde onderzoek te doen naar de aanwezigheid van een passende functie. Indien een passend geachte interne vacature aanwezig is, dient deze vacature door het loopbaancentrum ten behoeve van de herplaatsingskandidaat te worden geblokkeerd. Verder mag een herplaatsingskandidaat alleen op basis van zeer zwaarwegende argumenten voor een passende functie worden afgewezen.

3.6. Uit de - eerst na het bestreden besluit opgemaakte - rapportage herplaatsingsonder-zoek komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter naar voren dat gedaagde weinig voortvarend heeft gehandeld. Met name in de laatste periode is geruime tijd niet gebleken van enige activiteit gericht op de herplaatsing van verzoeker. Dit terwijl uit de door verzoeker overgelegde stukken lijkt te volgen dat meerdere vacatures voorhanden waren. Verder lijkt het onderzoek deels gericht te zijn geweest op niet passende functies, waarbij de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat - zoals partijen desgevraagd ter zitting hebben bevestigd - onder een passende functie voor verzoeker een functie op het niveau van schaal 9 tot en met schaal 11 wordt verstaan en dat de functie regieverpleegkundige in de regel op schaal 8 wordt gewaardeerd. Uit de onderliggende stukken is vervolgens niet af te leiden dat sprake was van zeer zwaarwegende argumenten op grond waarvan verzoeker is afgewezen voor de in het onderzoek genoemde passende functies.

3.7. Blijkens het verhandelde ter zitting en de rapportage herplaatsingsonderzoek acht de voorzieningenrechter het geenszins uitgesloten dat binnen het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam mogelijk passende functies voor handen zijn dan wel op korte termijn opengesteld zullen worden. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat verzoeker, zoals onbetwist is gesteld, zijn huidige werkzaamheden naar tevredenheid verricht, zodat er voorshands geen redenen zijn om aan te nemen dat hij deze werkzaamheden niet kan voortzetten. De door gedaagde desgevraagd ter zitting aangegeven financiële problemen voor de betrokken afdeling, zijn niet nader onderbouwd. Tenslotte is de voorzieningenrechter van oordeel dat het SBK dan wel het zorgvuldigheidsbeginsel met zich meebrengt dat, voorzover een aanvullende opleiding is vereist, gedaagde hierin voorziet.

3.8. Gelet op het vorengaande berust het herplaatsingsonderzoek van gedaagde naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet op een zorgvuldig onderzoek.

4. Op grond van het vorenstaande acht de voorzieningenrechter het in redelijke mate waarschijnlijk dat het thans aan verzoeker gegeven ontslag in rechte niet houdbaar is en komt het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb voor inwilliging in aanmerking. De werking van het besluit van 5 oktober 2005, voorzover verzoeker met ingang van 1 januari 2006 eervol ontslag is verleend, zal daarom worden geschorst.

4.1. De voorzieningenrechter ziet gelet op het voorgaande en in het belang van verzoeker dat hij zijn huidige werkzaamheden kan continueren en dat het herplaatsingsonderzoek wordt voortgezet, aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, daarin bestaande dat gedaagde, met ingang van 1 januari 2006 en totdat de Raad heeft beslist op het door verzoeker ingestelde hoger beroep, verzoeker in de gelegenheid stelt zijn huidige werkzaamheden voort te zetten en aan verzoeker bezoldiging betaalt als ware hem geen ontslag verleend.

5. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van verzoeker in deze procedure tot een bedrag van € 644,-- voor kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb toe;

Schorst de werking van het besluit van 5 oktober 2005, voorzover verzoeker met ingang van 1 januari 2006 ontslag is verleend, totdat de Raad heeft beslist op het door verzoeker ingestelde hoger beroep;

Bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat gedaagde met ingang van 1 januari 2006 en totdat de Raad heeft beslist op het door verzoeker ingestelde hoger beroep aan verzoeker bezoldiging betaalt als ware hem geen ontslag verleend en verzoeker in de gelegenheid stelt zijn huidige werkzaamheden voort te zetten;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam;

Bepaalt dat het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 138,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 december 2005.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.W.J. Hospel.

JvS

0901