Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AV6404

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-12-2005
Datum publicatie
27-03-2006
Zaaknummer
05/7027 AW-VV + 05/7271 AW-VV
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening met betrekking tot tijdige uitvoering uitspraak rechtbank, niet ontvankelijk verklaard. Voorlopige voorziening gevraagd ten aanzien van materiële en immateriële schadevergoeding. Financiële noodsituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7027 AW-VV + 05/7271 AW-VV

U I T S P R A A K

van

DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP

inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in de gedingen tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, gedaagde.

I. INLEIDING

Namens elk van beide partijen is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 16 februari 2005, nr. 03-1725 AW 229, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij deze uitspraak is onder meer het besluit van 4 november 2003, hersteld bij besluit van 1 december 2003, vernietigd en is gedaagde opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaarschrift van verzoeker tegen het besluit van 5 februari 2003.

Bij de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van 31 mei 2005, 05/2018 AW-VV, is afgewezen het verzoek van gedaagde om een voorlopige voorziening te treffen ertoe strekkende dat de werking van de aangevallen uitspraak wordt geschorst totdat op het hoger beroep is beslist.

Verzoeker heeft op 22 november 2005 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet (tijdig) gevolg geven door gedaagde aan de door de rechtbank gegeven opdracht een nieuw besluit te nemen. Verzoeker heeft tevens aan de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De stukken met betrekking tot dit beroep en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zijn door de rechtbank doorgezonden aan de Raad.

Bij besluit van 15 december 2005 (hierna ook: bestreden besluit) heeft gedaagde opnieuw beslist op het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 5 februari 2003.

Verzoeker is van opvatting dat met het bestreden besluit niet volledig uitvoering is gegeven aan de uitspraak van de rechtbank en acht zich niet geheel tegemoet gekomen in zijn bezwaar. Hij heeft verzocht zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening mede betrekking te laten hebben op het bestreden besluit. Verzoeker heeft in verband met financiële problemen verzocht om vóór 1 januari 2006 schriftelijk uitspraak te doen.

Namens gedaagde zijn op verzoek van de voorzieningenrechter schriftelijk inlichtingen gegeven.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak en de in rubriek I genoemde uitspraak van 31 mei 2005. De voorzieningenrechter volstaat met het navolgende.

1.1. Bij besluit van 5 februari 2003 is verzoeker met ingang van 1 april 2003 op grond van artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) eervol ontslag verleend onder toekenning van een door verzoeker redelijk geachte voorziening. Het door verzoeker tegen het ontslagbesluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 4 november 2003, hersteld bij besluit van 1 december 2003, ongegrond verklaard onder wijziging van de ingangsdatum van het ontslag in 1 januari 2004.

1.2. De rechtbank heeft het beroep van verzoeker tegen het besluit van 4 november 2003 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat gedaagde met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. De rechtbank was van oordeel dat er sprake was van duurzaam verstoorde arbeidsverhoudingen zodat gedaagde bevoegd was verzoeker op grond van artikel 99 ARAR eervol te ontslaan. Voorts was de rechtbank van oordeel dat de bij het ontslag getroffen (financiële) regeling is gebaseerd op een onjuiste waardering van de omstandigheden zodat het bestreden besluit niet op een deugdelijke grondslag berust. Zij heeft hiertoe overwogen dat verzoeker geen belangrijk aandeel heeft gehad in het ontstaan van het conflict doch alleen in het voortbestaan daarvan. Voorts is door gedaagde ten onrechte het standpunt ingenomen dat verzoeker een reële kwaliteitsbevordering heeft gehad. De rechtbank achtte het redelijk dat verzoeker wordt gecompenseerd voor het gebrek aan steun door gedaagde in de periode vóór 1 juni 1999 en voor de feitelijk niet gerealiseerde toezegging strekkende tot een kwaliteitsbevordering.

1.3. Na de afwijzing van het verzoek van gedaagde tot schorsing van de werking van de aangevallen uitspraak is door verzoeker(s raadsman) op 25 juli 2005 en 20 september 2005 aangedrongen op het uitvoeren van de uitspraak van de rechtbank. Pas enige weken nadat verzoeker rechtsmiddelen had aangewend tegen het niet tijdig gevolg geven aan de opdracht van de rechtbank heeft gedaagde het bestreden besluit van 15 december 2005 genomen.

2. Bij dit besluit is - onder voorbehoud van de uitkomst van het hoger beroep van gedaagde - besloten om verzoeker over de periode van 1 juni 2000 tot 1 januari 2004 een bedrag toe te kennen, bestaande uit het verschil tussen de aan verzoeker uitbetaalde bezoldiging en het bedrag behorende bij een bezoldiging overeenkomstig schaal 11, zijnde in totaal (bruto)

€ 11.065,45. Ter compensatie van het gebrek aan steun in de periode vóór 1 juni 1999 heeft gedaagde een bedrag van

€ 10.000,- toegekend als aanvulling op de ingevolge artikel 99, tweede lid, van het ARAR getroffen regeling.

3. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

3.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen dat vereist. Voorzover in deze procedure een oordeel met betrekking tot het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, draagt dit oordeel een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de uitspraak van de Raad in de hoofdzaak.

3.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de gedingen in hoger beroep zich op de voet van artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede uitstrekken tot het beroep tegen het niet (tijdig) nemen van een besluit en tegen het bestreden besluit. In het onderhavige geding is daarbij voorts en in het bijzonder aan de orde het uitblijven van prompte betaling van de (voorwaardelijk) toegekende bedragen.

3.3. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd heeft de voorzieningenrechter niet kunnen ontwaren dat verzoeker nog enig belang heeft bij een voorziening met betrekking tot het niet (tijdig) gevolg geven aan de uitspraak van de rechtbank, nu gedaagde inmiddels het bestreden besluit heeft genomen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in verband met gedaagdes aanvankelijke nalatigheid om gevolg te geven aan de uitspraak van de rechtbank wordt dus niet-ontvankelijk verklaard.

3.4. Verzoeker is van opvatting dat het bestreden besluit tekortschiet op de navolgende punten. De nabetaling van bezoldiging had zijns inziens het tijdvak van 1 juni 1999 tot 1 januari 2005 moeten beslaan en dus € 18.165,25 moeten bedragen. Over het jaar 2004 dient gedaagde pensioenpremie af te dragen. Verzoeker stelt recht te hebben op (aanzienlijke) materiële en immateriële schadevergoeding. Op al deze onderdelen heeft verzoeker gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

3.5. Verzoeker heeft voorts gemotiveerd aangegeven dat hij vreest voor het (langdurig) uitblijven van de betaling van de thans toegekende bedragen. Hij stelt door een vertraging in de uitbetaling in een financiële noodsituatie terecht te komen en heeft met name aangegeven dat hij vóór 1 januari 2006 € 11.000,- moet betalen. Verzoeker heeft tevens verzocht gedaagde een dwangsom op te leggen.

3.6. Namens gedaagde is bij faxbericht van 29 december 2005 medegedeeld dat door de jaarwisseling een betaling vóór

1 januari 2006 op praktische problemen stuit, maar dat het mogelijk zou zijn om een voorschotbetaling op 3 januari 206 op de rekening van verzoeker te hebben staan. Als reden voor de voorschotbetaling wordt genoemd de noodzaak om via een schatting het netto bedrag te berekenen.

3.7. De voorzieningenrechter laat de door verzoeker onder 3.4. gestelde tekortkomingen aan het bestreden besluit in het midden en beperkt zich tot het onder 3.5. gestelde spoedeisend belang van verzoeker.

3.8. In aanmerking genomen dat het bestreden besluit ook na de uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 mei 2005 nog meer dan zes maanden is uitgebleven en dat verzoeker reeds op 22 november 2005 heeft gewezen op zijn financiële belang bij de uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorziening met betrekking tot de uitbetaling van de toegekende bedragen.

3.9. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat gedaagde op grond van genoemde omstandigheden in strijd met de zorgvuldigheid handelt door ook thans nog niet met zekerheid te kunnen zeggen dat en over welk bedrag verzoeker begin januari 2006 kan beschikken.

4. Op grond van het vorenstaande en in het bijzonder gelet op de door gedaagde onder 3.6. vermelde mogelijkheid om verzoeker op 3 januari 2006 te doen beschikken over de (netto) bedragen die zijn vermeld in het bestreden besluit, ziet de voorzieningenrechter aanleiding een voorlopige voorziening treffen. Gedaagde wordt de opdracht gegeven ervoor zorg te dragen dat verzoeker uiterlijk op 3 januari 2006 de beschikking heeft over een bedrag van € 6.600,- als voorschot op de nabetaling van de brutobezoldiging en van € 10.000,- ter betaling van de schadevergoeding, in totaal dus € 16.600,-. De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding om aan het niet tijdig nakomen van deze voorziening een dwangsom te verbinden.

5. De voorzieningenrechter is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten als bedoeld in

artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

Verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen in verband met het niet (tijdig) voldoen aan de uitspraak van de rechtbank niet-ontvankelijk;

Geeft gedaagde de opdracht ervoor zorg te dragen dat verzoeker uiterlijk op 3 januari 2006 de beschikking heeft over een bedrag van € 16.600,- op verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor elke dag dat gedaagde hiermee in gebreke blijft;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 138,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 december 2005.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.