Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU9751

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2005
Datum publicatie
18-01-2006
Zaaknummer
03/2430 WWCON
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is bij de berekening van de duur van het het wachtgeld terecht de dienstijd bij de gemeente Velzen binnen de relevante periode buiten beschouwing gelaten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/2430 WWCON

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van bestuur van de [naam College], appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats] (Frankrijk), gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 7 mei 2003, nr. Awb 02-703 WWCON, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft partijen een afschrift toegezonden van zijn uitspraak van 17 maart 2005, 03/2670 AW, LJN AT3534.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend voor het achterwege laten van behandeling ter zitting van het hoger beroep.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Gedaagde, geboren [in] 1936, is laatstelijk werkzaam geweest van 1 januari 1987 tot 31 december 1989 in dienst van de Stichting Hogeschool Haarlem. Deze betrekking is met ingang van 31 december 1989 beëindigd, omdat gedaagde gebruik heeft gemaakt van de ”eenmalige 50+-regeling HBO”.

1.2. Bij besluit van 16 januari 1990 heeft de Minister van Onderwijs en Wetenschappen (hierna: de Minister) aan gedaagde met toepassing van de ”eenmalige 50+-regeling HBO”, wachtgeld op grond van het toenmalige hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (Rpbo) toegekend tot 19 januari 2001, met aansluitend een bijzondere verlenging op grond van I-H3 van het Rpbo tot 1 juli 2001 (hierna: SBK-HBO).

1.3. Bij beslissing van 4 januari 2001 is namens appellant aan gedaagde meegedeeld dat ingevolge artikel II van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO) voor diens wachtgeld vanaf 19 januari 2001 de bijzondere verlenging ingaat.

1.4. Tegen deze beslissing heeft gedaagde bij brief van 31 januari 2001 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 5 maart 2001 is dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank Haarlem heeft vervolgens bij uitspraak van 18 maart 2002,

nr. AWB 01-431 AW, het beroep dat door gedaagde was ingesteld tegen de beslissing van 5 maart 2001 gegrond verklaard en die beslissing vernietigd.

1.5. Bij beslissing van 26 maart 2002 heeft appellant opnieuw beslist op het bezwaar van gedaagde tegen de beslissing van 4 januari 2001. Appellant heeft daarbij het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat de einddatum van het reguliere wachtgeld is vastgesteld op 30 april 2001 en dat derhalve het recht op bijzondere verlenging eerst op die datum zal ingaan.

1.6. De rechtbank heeft het beroep dat gedaagde heeft ingesteld tegen de beslissing van 26 maart 2002 gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank, zulks met een bepaling over vergoeding van het door gedaagde betaalde griffierecht. De rechtbank was, samengevat, van oordeel dat appellant niet toereikend heeft gemotiveerd waarom hij gedaagdes diensttijd van 1 april 1966 tot 1 augustus 1971 bij de gemeente Velsen buiten beschouwing heeft gelaten bij de vaststelling van de duur van de reguliere wachtgeldperiode.

1.7. Namens appellant is in hoger beroep gesteld dat gedaagdes diensttijd van 1 april 1966 tot 1 augustus 1971 bij de gemeente Velsen terecht en op goede gronden buiten beschouwing is gelaten bij de berekening van de duur van het reguliere wachtgeld.

2. De Raad overweegt ambtshalve het volgende.

2.1. Gedaagde heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van appellant van 26 maart 2002, waarbij het bezwaar van gedaagde tegen de beslissing van 4 januari 2001 gedeeltelijk gegrond is verklaard en de einddatum van het (reguliere) wachtgeld is bepaald op 30 april 2001. Gedaagde beoogt te bereiken dat zijn reguliere wachtgeld van 1 mei 2001 tot 1 juli 2001 wordt voortgezet.

2.2. Per 1 maart 1994 is hoofdstuk I-H van het Rpbo vervallen en vervangen door het BWOO, in verband waarmee het BWOO met inachtneming van overgangsrecht op gedaagdes uitkering van toepassing werd.

2.3. Op 17 december 1999 is het Besluit decentralisatie arbeidsvoorwaarden vorming universiteiten, hogescholen en onderzoekinstellingen (Stb. 1999, 528, hierna: Decentralisatiebesluit) in werking getreden. Daarbij zijn tevens enkele artikelen van het BWOO gewijzigd. Op grond van artikel 7, onderdeel B, van het Decentralisatiebesluit is aan het BWOO artikel 1a toegevoegd, ertoe strekkende dat personeel van hogescholen sedertdien geen betrokkene meer is in de zin van het BWOO.

2.4. Op grond van artikel 4 van het Decentralisatiebesluit dient appellant zelf regels vast te stellen voor uitkeringen wegens werkloosheid, waarbij de aanspraken van het personeel en het gewezen personeel ten minste gelijk, doch in elk geval ten minste gelijkwaardig zijn aan de aanspraken die het personeel zou hebben op grond van de Werkloosheidswet. Bij die regels dient het bestuur de aanspraken van het gewezen personeel, die aan dat personeel zijn gegarandeerd bij of krachtens de regelingen die volgens het Decentralisatiebesluit zijn komen te vervallen, te garanderen. Gedaagdes uitkering was derhalve ten tijde van belang een uitkering op basis van de werkloosheidsregeling van de [naam Stichting].

2.5. Blijkens het bepaalde in de aanhef en onder g van de Bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), is appellants hogeschool een bijzondere hogeschool, die bekostigd wordt op grond van artikel 1.8, eerste lid, van de WHW. Het beroep van gedaagde heeft, zoals onder 2.1. is vermeld, betrekking op zijn aanspraken op ontslag- uitkering vanaf 1 mei 2001, dat wil zeggen op een periode ná inwerkingtreding van het Decentralisatiebesluit en het geschil betreft derhalve gedaagdes aanspraken op grond van de werkloosheidsregeling die ingevolge artikel 4 van het Decentralisatiebesluit is vastgesteld door de privaatrechtelijke [naam Stichting].

2.6. Wat betreft het rechtskarakter van deze werkloosheidsregeling is artikel 2, eerste lid, van het Decentralisatiebesluit van belang, waarin is vermeld dat de bepalingen van het Decentralisatiebesluit regels zijn voor onderzoekinstellingen en voor openbare universiteiten en hogescholen, alsmede voorwaarden voor de bekostiging van bijzondere universiteiten en hogescholen. In artikel 1.10. van de WHW is een soortgelijke bepaling opgenomen ten aanzien van onder meer hoofdstuk

4 van de WHW, welk hoofdstuk bepalingen geeft omtrent het personeel.

2.7. Hieruit volgt dat nu de hogeschool blijkens de bijlage bij het WHW een bijzondere hogeschool is, noch in het Decentralisatiebesluit, noch in de WHW terzake regelgevende bevoegdheid aan appellant is toebedeeld. De vaststelling van de eigen werkloosheidsregeling moet dan ook worden gezien als het voldoen aan een bekostigingsvoorwaarde en de regeling kan niet worden gezien als een krachtens het Decentralisatiebesluit of enig ander publiekrechtelijk voorschrift vastgestelde publiekrechtelijke regeling. Dit betekent dat een besluit van appellant omtrent de werkloosheidsuitkering van gedaagde niet berust op een publiekrechtelijke doch op een privaatrechtelijke grondslag.

2.8. Bij het ontbreken van een publiekrechtelijke grondslag is de beslissing van 4 januari 2001 geen publiekrechtelijke rechtshandeling, zodat die beslissing geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet hierop had (het uitvoeringsorgaan namens) appellant zich dienen te onthouden van een beslissing op het bezwaarschrift tegen die beslissing en had de rechtbank zich ten aanzien van de op het bezwaar gegeven beslissing onbevoegd moeten verklaren. Met het oog op artikel 8:71 van de Awb stelt de Raad vast dat terzake van het geschil dat partijen verdeeld houdt uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.

3. De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak vernietigen en doen hetgeen de rechtbank had behoren te doen.

4. De Raad is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van gedaagde in beroep of in hoger beroep, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de rechtbank niet bevoegd kennis te nemen van het beroep van gedaagde tegen het besluit van 26 maart 2002;

Bepaalt dat de [naam Stichting] aan gedaagde het door hem in beroep betaalde griffierecht van € 29,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 december 2005.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.