Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU9660

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-12-2005
Datum publicatie
16-01-2006
Zaaknummer
04/3913 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanspraak op uitbetaling tegoed aan vakantie-uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/164
JB 2006/82
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/3913 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van bestuur van de Universiteit Leiden, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 mei 2004, nr. AWB 03/2087 BESLU, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 17 november 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. drs. E. Tamas. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. Hulsbergen, advocaat te Leiden, en mr. D. Mandel, werkzaam bij de Universiteit Leiden.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante was gehuwd met [betrokkene], geboren [in] 1941 en overleden [in] maart 2002 (hierna: betrokkene). Tot zijn overlijden was betrokkene werkzaam als universitair docent bij de faculteit der Wiskunde en Natuurwetenschappen van de Universiteit Leiden.

1.2. Bij brief van 5 december 2001 heeft betrokkene het hoofd van de dienst Personeel & Organisatie van genoemde faculteit erop gewezen dat hij over een tegoed beschikte van vóór 1 januari 2001 opgebouwde en nog niet opgenomen vakantie-uren van 2879,33. Daarbij heeft hij medegedeeld dat het in zijn bedoeling lag om dit tegoed op te nemen direct voorafgaand aan de datum van zijn vervroegde uittreding waarbij hij op dat moment dacht aan 1 december 2004 (FPU-datum).

Blijkens haar brief van 17 december 2001 kon voormeld hoofd zich hiermee verenigen.

1.3. Na het (plotselinge) overlijden van betrokkene heeft appellante, erfgename, zich bij brief van 3 mei 2002 tot gedaagde gewend met het verzoek om het tegoed aan vakantie-uren van betrokkene aan de nabestaanden uit te betalen.

Bij besluit van 12 juni 2002 heeft gedaagde hierop aan appellante medegedeeld dat in totaal 300 vakantie-uren aan haar zullen worden uitbetaald, zijnde de door betrokkene in de jaren 2001 en 2002 niet opgenomen vakantie-uren. Voor het overige is het verzoek van appellante afgewezen.

Gedaagde heeft dit besluit na door appellante daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 9 april 2003.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad stelt voorop dat het bestreden besluit geheel in overeenstemming is met de hier van toepassing zijnde, op 1 januari 2001 in werking getreden, Vakantieregeling en Buitengewoonverlofregeling (hierna: de VR) en met name met artikel 7 daarvan. Daarin is neergelegd dat bij beëindiging van het dienstverband slechts uitbetaling van vakantie-uren kan plaatsvinden waarop over het lopende kalenderjaar aanspraak bestaat, eventueel aangevuld met het aantal niet genoten vakantie-uren van het voorgaande kalenderjaar.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen houdt de VR, waarin geen hardheidsclausule is opgenomen, algemeen verbindende voorschriften in zodat daarvan in beginsel niet mag worden afgeweken.

3.2. Appellante heeft aangevoerd dat haar in dit geval, voorzover het gaat om door haar overleden man niet opgenomen vakantie-uren waarop vóór 1 januari 2001 aanspraak is ontstaan, vermogensrechten zijn ontnomen en dat dit strijd oplevert met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), zo nodig bezien in samenhang met artikel 14 van dit verdrag.

3.3. De Raad heeft eerder in onder meer zijn door appellante genoemde uitspraak van 5 december 2003, LJN AO2554, overwogen dat onder de term “possessions” in artikel 1 van het Eerste Protocol volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens niet alleen moeten worden verstaan bestaande bezittingen maar ook vermogensbestanddelen, met inbegrip van aanspraken met betrekking waartoe de betrokkene kan onderbouwen dat hij ten minste een gerechtvaardigde verwachting heeft dat die zullen worden gerealiseerd. Een aanspraak op het opnemen van een bepaald aantal vakantie-uren kan op zichzelf evenwel niet worden aangemerkt als een aanspraak van de betrokkene op vermogensbestanddelen. Van een aanspraak in deze laatste zin kan slechts worden gesproken indien en voorzover de betrokkene uitdrukkelijk het recht is verleend om de aanspraak op vakantie-uren om te laten zetten in een aanspraak op een financiële uitkering. Een zodanig recht ontbreekt in dit geval met betrekking tot de vakantie-uren waarop al vóór 1 januari 2001 aanspraak is ontstaan. Waar appellante heeft beweerd dat de VR zelf zich op dit punt niet verdraagt met artikel 1 van het Eerste Protocol kan zij daarin evenmin worden gevolgd. Dit artikel voorziet immers niet in een toekenning van vermogensrechten doch in een zekere begrenzing van de mogelijkheden tot ontneming (en beperking) van al uit anderen hoofde bestaande vermogensrechten.

3.4. Het vorenstaande brengt mee dat ook het (aanvullende) beroep dat appellante op artikel 14 van het EVRM heeft gedaan niet kan slagen. Naar namens haar zelf ter zitting terecht is aangegeven, komt dit artikel immers geen zelfstandige betekenis toe, los van - in dit geval - artikel 1 van het Eerste Protocol.

3.5. Ten slotte valt, anders dan appellante nog heeft gesteld, niet in te zien dat hier sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven om strikte toepassing van de VR achterwege te laten. Bovendien zou een achterwege laten van die toepassing appellante niet kunnen baten omdat dit haar nog niet zou verzekeren van een recht als door haar verlangd.

3.6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van S. l’Ami als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 december 2005.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) S. l’Ami.

(de griffier was verhinderd de uitspraak te ondertekenen)