Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU9231

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2005
Datum publicatie
09-01-2006
Zaaknummer
04/2957 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overplaatsing wegens schijn van belangenverstrengeling.

Wetsverwijzingen
Besluit algemene rechtspositie politie 64
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/2957 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Noord- en Oost-Gelderland, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 20 april 2004, nr. 03/1215 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 10 november 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.A. Vermeer-Hordijk, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Niks, werkzaam bij de politieregio Noord- en Oost-Gelderland.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Ten tijde in geding van belang was appellant werkzaam in de functie van medewerker Basispolitiezorg B in de rang van brigadier en laatstelijk tewerkgesteld te [woonplaats].

1.2. Bij besluit van 30 januari 2003 heeft gedaagde appellant met toepassing van artikel 64 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) met ingang van 22 februari 2003 overgeplaatst naar [de plaats G. ]. Gedaagde heeft aan dat besluit ten grondslag gelegd dat uit een door de korpsleiding ingesteld feitenonderzoek naar voren is gekomen dat appellants privé-belangen als actief jager en de van hem vereiste objectiviteit als opsporingsambtenaar niet sporen. Om iedere schijn van belangenverstrengeling in de toekomst te vermijden heeft gedaagde het om die reden noodzakelijk geacht dat appellant zijn functie op een locatie buiten [woonplaats] gaat uitoefenen.

1.3. Gedaagde heeft dit besluit, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 22 juli 2003.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het namens appellant tegen het besluit van 22 juli 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, door de wijze waarop appellant als opsporingsambtenaar optreedt, bij het publiek het beeld kan ontstaan dat de politie niet integer is, waardoor het vertrouwen in de politie wordt aangetast. Daarin kon gedaagde naar het oordeel van de rechtbank een bijzonder geval zien als bedoeld in artikel 64 van het Barp, waarin het belang van de dienst verplaatsing naar een locatie buiten [woonplaats] vorderde, waar appellant niet meer regelmatig in contact staat met jagers.

3.1. Namens appellant is in hoger beroep naar voren gebracht - kort samengevat - dat het besluit steunt op een verklaring van appellant die dateert van jaren geleden. Bovendien combineert appellant al jaren hobby en beroep en heeft dit nooit problemen gegeven. Verder vindt appellant dat hij dubbel gestraft wordt, omdat hij eerder ook al werd ontheven van zijn taakaccent contactpersoon Bijzonder Opsporingsambtenaren (veelal jachtopzichters). Nu appellant voorts zelf al het taakaccent jacht- en vuurwapens had teruggegeven, is de vermeende belangenverstrengeling tot een minimum beperkt, zodat er geen dienstbelang meer was om tot overplaatsing over te gaan.

3.2. Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt ten aanzien van hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 64 van het Barp, voorzover hier van belang, is de ambtenaar, wanneer het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert, verplicht zijn functie op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied uit te oefenen, mits dit redelijk is in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop de rechtbank tot dat oordeel is gekomen en merkt hierbij nog het volgende op.

4.2.1. In het kader van het onder 1.2. vermelde door de korpsleiding ingestelde feitenonderzoek heeft appellant op 11 september 2002 zelf onder meer verklaard, dat hij zich als opsporingsambtenaar niet vrij voelt om te allen tijde bij een overtreding verbaliserend op te treden tegen jagers. Dit omdat na elk proces-verbaal het voor 99% zeker is dat de geverbaliseerde jager dan ook zijn jachtakte kwijt raakt, waardoor deze jager dubbel wordt gestraft. Ter zitting bij de Raad heeft appellant erkend deze zienswijze nog steeds te huldigen. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank, dat gedaagde terecht heeft overwogen dat deze opvatting en de daaraan verbonden wijze van optreden van appellant de schijn van belangenverstrengeling oproept en dat daardoor bij het publiek het beeld kan ontstaan dat de politie niet integer is, waardoor het vertrouwen in de politie wordt aangetast.

4.2.2. Gelet hierop mocht gedaagde tot de conclusie komen dat appellant tewerk diende te worden gesteld op een andere locatie, waar hij niet meer frequent in contact staat met jagers. Ook de Raad ziet in deze omstandigheid een bijzonder geval als bedoeld in artikel 64 van het Barp, waarin het belang van de dienst verplaatsing van appellant vorderde, zodat gedaagde bevoegd was appellant over te plaatsen.

4.3. Anders dan appellant kennelijk wil betogen acht de Raad ten slotte in het gegeven dat appellant is ontheven van zijn onder 3.1. genoemde taakaccenten geen grond gelegen aan te nemen dat het risico van belangenverstrengeling tot een minimum was beperkt, zodat er geen dienstbelang meer was om tot overplaatsing over te gaan. Ter zitting is namens gedaagde immers onweersproken gesteld dat appellant ook zonder toebedeling van die taakaccenten in de landelijke omgeving van [woonplaats] nog frequent in contact zou komen met jagers. In [de plaats G. ] is appellant werkzaam in een meer stedelijke omgeving waar het contact met jagers tot een minimum is beperkt.

5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit van 22 juli 2003 in rechte stand houdt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. D.A.C. Slump als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 december 2005.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.J.W. Loots.