Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU9230

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2005
Datum publicatie
09-01-2006
Zaaknummer
04/3352 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Soldaat landmacht. Tijdens sportles rug geblesseerd bij nemen hindernissenbaan. Medisch ongeschikt voor vervullen dienst. Aansprakelijkheid. Verzoek om schadevergoeding. Zorgplicht op grond van rechtspositionele voorschriften.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/3352 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellante heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 april 2004, nr. AWB 03/2116 MAW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 10 november 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Y.P.J. Drost, rechtskundig adviseur te Hengelo (Ov). Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J.V. van Venrooij en mr. H.M. Beumer, beiden werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, destijds soldaat bij de Koninklijke landmacht, is tijdens de sportles bij het nemen van de hindernisbaan op 21 juli 1999 van het zogeheten wasbord gevallen en heeft daarbij haar rug geblesseerd. Appellante is uiteindelijk medisch ongeschikt bevonden voor het verder vervullen van de militaire dienst.

1.2. Bij brief van 28 januari 2002 heeft appellante gedaagde verzocht om de aansprakelijkheid voor hetgeen haar is overkomen te erkennen en om tot vergoeding van de door haar geleden schade over te gaan. Bij het bestreden besluit van 16 april 2003 heeft gedaagde na bezwaar zijn weigering gehandhaafd aan dit verzoek te voldoen. Het hiertegen gerichte beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

2. Met betrekking tot hetgeen door partijen in hoger beroep is aangevoerd, in de kern hierop neerkomend dat gedaagde niet, respectievelijk wel heeft voldaan aan de zorgplicht die hij heeft ten opzichte van zijn werknemers, overweegt de Raad als volgt.

2.1. De Raad heeft in inmiddels vaste jurisprudentie, zie onder meer CRvB 22 juni 2000, LJN AB0072, TAR 2000, 112, als norm geformuleerd dat de ambtenaar - voorzover zulks niet reeds voortvloeit uit van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften - recht heeft op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten, alsmede voor het verrichten van de werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

2.2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad voldoende duidelijk geworden onder welke omstandigheden het ongeval heeft plaatsgevonden. Hij zal dan ook niet voldoen aan het verzoek van appellante tot aanhouding voor nader getuigenverhoor.

2.3. De Raad is voorts van oordeel dat gedaagde genoegzaam heeft aangetoond dat hij niet tekort is geschoten in het nakomen van zijn bovengenoemde verplichtingen. Daarbij heeft de Raad meegewogen dat de sportles plaats vond onder toezicht van een gekwalificeerd sportinstructeur, dat appellante uitleg had gekregen over de wijze waarop het wasbord moest worden genomen en dat dit ook was geoefend. Appellante was medisch gekeurd, zodat ervan uit mocht worden gegaan dat zij fysiek in staat was bedoelde oefening, ook meermalen achtereen, uit te voeren. De Raad acht onvoldoende aannemelijk geworden dat appellante zodanige tekenen van vermoeidheid vertoonde dat de sportinstructeur niet had mogen nalaten haar eigener beweging rust te gunnen. Ook is appellante er niet in geslaagd de Raad te overtuigen van het feit dat een ondergrond van grind niet als een voldoende veiligheidsmaatregel kan worden aangemerkt.

3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. D.A.C. Slump als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2005.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.J.W. Loots.