Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU9193

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2005
Datum publicatie
06-01-2006
Zaaknummer
04/4484 CSV
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2004:AP8665
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsplicht vrachtwagenchauffeurs (zogenaamde eigenrijders). Opleggen boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4484 CSV

U I T S P R A A K

in het geding tussen [appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 13 juli 2004 onder kenmerk 03/2041 door de rechtbank Arnhem gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 juli 2005, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door R. Brands, financieel manager, bijgestaan door mr. E.O. Olij, verbonden aan Deloitte Belastingadviseurs B.V. te Apeldoorn en waar gedaagde met voorafgaande kennisgeving niet is verschenen.

II. MOTIVERING

Appellante exploiteert een internationaal en nationaal goederentransportbedrijf. Appellante is in het bezit van eigen vrachtauto’s en heeft chauffeurs in vaste loondienst. Daarnaast maakt zij onder meer gebruik van zogenaamde eigenrijders. De eigenrijders beschikken over een eigen truck waarmee zij de oplegger van appellante vervoeren; zij beschikken verder over een vergunning van de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (hierna: NIWO). Bij een in 1998 in het bedrijf van appellante verrichte looncontrole heeft de looninspecteur vastgesteld dat twee eigenrijders voor appellante werkzaam waren in een arbeidsverhouding die voldoet aan de vereisten van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten. Op grond van het toen geldende beleid van gedaagde, inhoudende dat voor eigenrijders nimmer verzekeringsplicht werd aangenomen, is toen geen verzekeringsplicht voor deze eigenrijders vastgesteld. Wel vermeldt het rapport dat voorbereidingen gaande waren om tot een nieuw beleid te komen en dat de werkgevers spoedig na de standpuntbepaling geïnformeerd zouden worden. Wanneer verzekeringsplicht moest worden vastgesteld dienden de betrokkenen te worden aangemeld op de gebruikelijke wijze en verantwoord te worden in de loon-administratie.

In het voorjaar van 2002 heeft gedaagde zijn besluit gepubliceerd dat het beleid met betrekking tot de verzekeringsplicht van eigenrijders was losgelaten en dat vanaf 1 juli 2002 volgens de normale regels beoordeeld zou gaan worden of er bij eigenrijders met een vervoersvergunning sprake was van verzekeringsplicht. Het bezit van een eigen vergunning stond vanaf die datum verzekeringsplicht niet meer in de weg.

Bij een in het voorjaar van 2003 bij appellante uitgevoerde looncontrole over de jaren 1998 tot en met 2002 heeft de looninspecteur, voorzover van belang, vastgesteld dat zeven eigenrijders voor appellante werkzaam waren in een arbeidsverhouding die voldoet aan de vereisten van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten, zodat zij vanaf 1 juli 2002 verplicht verzekerd waren. Het gaat om [betrokkenen] (hierna: betrokkenen). Appellante heeft betrokkenen ook na 1 juli 2002 buiten de premiebetaling gehouden. Gedaagde heeft in verband hiermee appellante een correctienota over 2002 opgelegd alsmede een boetenota van 25% van het over 2002 nagevorderde premiebedrag. Bij besluit van 1 augustus 2003 heeft gedaagde de bezwaren van appellante tegen deze nota's ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat gedaagde de arbeidsverhoudingen tussen appellante en betrokkenen terecht heeft aangemerkt als privaatrechtelijke en dus verzekerde dienstbetrekkingen, zodat appellante premieplichtig was. Met betrekking tot de boete heeft de rechtbank overwogen dat uit het rapport naar aanleiding van de loon-controle in 1998 al bleek dat in beginsel tot verzekeringsplicht van de toenmaals voor appellante werkzame eigenrijders werd geconcludeerd, hetgeen op grond van het destijds geldende beleid echter niet leidde tot premieheffing. Gedaagde heeft het gewijzigde beoordelingsbeleid in het voorjaar van 2002 gepubliceerd. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank de onjuiste loonopgave van appellante aangemerkt worden als opzet dan wel als grove schuld. De rechtbank heeft het beroep echter gegrond verklaard, omdat gedaagde naar haar oordeel niet het gehele door appellante aan betrok-kenen uitbetaalde bedrag had mogen aanmerken als arbeidsloon, nu de vergoeding voor een deel betrekking had op zakelijke kosten van de eigen trucks van betrokkenen.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de eigenrijders niet verplicht waren de arbeid persoonlijk te verrichten, omdat zij zich zonder toestemming van appellante mochten laten vervangen door een willekeurige andere chauffeur, hetgeen in de praktijk ook daadwerkelijk is voorgekomen bij Van Veldhuizen. Wat betreft de gezagsverhouding is appellante van mening dat het enkele feit dat de werkzaamheden een wezenlijk onderdeel vormen van haar bedrijfsvoering en plaats vinden binnen haar organisatorisch kader niet alleszeggend is. De aanwijzingen die appellante aan betrokkenen geeft en de eisen die zij aan hen stelt vloeien voort uit de voorwaarden die appellante op haar beurt zijn opgelegd door haar eigen opdrachtgevers, uit charterovereenkomsten zoals appellante die sluit met alle voor haar werkzame transportbedrijven en ten slotte uit de aard van de vervoersopdracht. Dit zijn geen aanwijzingen en opdrachten in het kader van een dienstbetrekking, maar voorwaarden in het kader van een overeenkomst van opdracht. Het staat betrokkenen vrij de opdracht al dan niet te aanvaarden en in de uitvoering van de opdracht zijn zij eveneens vrij. De eigenrijders zijn zelfstandige transportondernemers, die beschikken over een eigen truck en een eigen vergunning en die ondernemersrisico lopen. Zij beschikken nagenoeg allen over een VAR-verklaring waaruit blijkt dat zij in de ogen van de Belastingdienst niet in loondienst werkzaam zijn.

Met betrekking tot de boete stelt appellante dat iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, omdat zij aan de hand van de regelgeving en de door gedaagde gepubliceerde vragenlijsten mocht concluderen dat van verzekeringsplicht geen sprake was.

Gedaagde onderschrijft in het verweerschrift de overwegingen en het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de verzekeringsplicht en de boeteoplegging. Gedaagde acht het, mede gezien de waarde van de opleggers en de voor het besturen van een truck met oplegger noodzakelijke vaardigheden onaannemelijk dat betrokkenen zich zonder toestemming van appellante zouden kunnen laten vervangen door willekeurige derden en is van mening dat wordt voldaan aan het vereiste van persoonlijke arbeidsverrichting. Met betrekking tot de gezagsverhouding wijst gedaagde erop dat de eigenrijder tijdens het vervoer bereikbaar moet blijven en dus ook tussentijds bijgestuurd kan worden, dat niet aannemelijk is dat het de eigenrijder vrij staat het transport af te breken wanneer het hem uitkomt, dat hij wordt uitbetaald aan de hand van het aantal gereden kilometers volgens de door appellante gebruikte routeplanner, dat appellante bepaalt wat de retourvracht is en dat duidelijke afspraken worden gemaakt over de laad- en lostijden. Gedaagde wijst er voorts op dat betrokkenen, gezien hun financiële afhankelijkheid van appellante, bereid zullen zijn de gegeven aanwijzingen daadwerkelijk op te volgen.

De Raad overweegt als volgt.

Het geschil spitst zich toe op de vragen of gedaagde betrokkenen terzake van hun werkzaamheden voor appellante met ingang van 1 juli 2002 terecht als verplicht verzekerd ingevolge artikel 3 van de sociale verzekeringswetten heeft aangemerkt en terecht appellante een correctienota over 2002 en een boete van 25% heeft opgelegd.

De Raad is van oordeel dat gedaagde, door ingaande 1 juli 2002 ook de arbeidsverhouding van de vergunninghoudende eigenrijders te beoordelen aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden waaronder zij werkzaam zijn, waarbij het enkele bezit van een vergunning niet meer doorslaggevend is, handelt in overeenstemming met de wetssystematiek zoals neergelegd in artikel 3 en volgende van de sociale werknemersverzekeringswetten.

Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van deze wetten moet zijn voldaan aan drie voorwaarden, te weten een gezagsverhouding, de verplichting de werkzaamheden persoonlijk te verrichten en de verplichting tot loonbetaling.

Evenals gedaagde en de rechtbank en op dezelfde gronden is de Raad van oordeel dat betrokkenen werkzaam waren onder gezag van appellante. Nu zij op dezelfde wijze werkzaam waren als de chauffeurs in loondienst, opgenomen waren in de planning en roosters van appellante en van appellante opdrachten en aanwijzingen kregen was er in de feitelijke situatie geen wezenlijk verschil tussen betrokkenen en de overige chauffeurs. Daar komt bij dat het werk behoorde tot de kernactiviteiten van appellante en was ingebed in haar organisatorisch kader. Dat betrokkenen hun werkzaamheden met een grote mate van zelfstandigheid verrichtten past bij de aard van de functie van vracht-wagenchauffeur. Dit doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van appellante opdrachten en aanwijzingen te geven als dat nodig was. Deze omstandigheden zijn naar het oordeel van de Raad zo zwaarwegend dat het bezit van een vergunning en van een eigen truck daar niet tegen opweegt.

Vaststaat dat betrokkenen, met uitzondering van Van Veldhuizen, de werkzaamheden steeds persoonlijk hebben verricht. De Raad is van oordeel dat betrokkenen, als zij een rit eenmaal hadden geaccepteerd, ook verplicht waren de arbeid persoonlijk te verrichten. Gezien de eisen die aan de kwaliteit van vrachtwagenchauffeurs als betrokkenen worden gesteld en gelet op de mededelingen van de zijde van appellante tijdens de looncontroles van 1998 en 2003 en het inventariserend onderzoek van 16 november 2000 acht de Raad het niet aannemelijk dat het betrokkenen vrij stond buiten appellante om een willekeurige derde in hun plaats te sturen. Van willekeurige vervanging van Van Veldhuizen is geen sprake geweest nu het zijn echtgenote betreft met wie hij een vennootschap onder firma heeft.

De Raad is voorts van oordeel dat de vergoedingen die betrokkenen ontvingen als tegenprestatie voor de door hen verrichte werkzaamheden in beginsel moeten worden aangemerkt als loon dat als grondslag voor de premieheffing dient.

Met gedaagde en de rechtbank komt de Raad dan ook tot de conclusie dat de betrokken eigenrijders hun werkzaamheden vanaf 1 juli 2002 verrichtten in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot appellante, zodat zij verplicht verzekerd waren ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten en appellante als werkgever premieplichtig was.

Dat naar appellante stelt, de Belastingdienst de inkomsten van betrokkenen als winst uit onderneming heeft aangemerkt en aan betrokkenen een Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) heeft verstrekt, kan niet tot een ander oordeel leiden nu de verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten van rechtswege ontstaat en de VAR ten tijde hier in geding daaraan niet in de weg stond.

Met betrekking tot de opgelegde boete onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen. Appellante is bij de looncontrole in 1998 nadrukkelijk gewaarschuwd dat er een beleidswijziging ophanden was en dat, wanneer de werkgevers hierover geïnformeerd zouden worden, zij op de juiste manier gevolg zouden moeten geven aan de nieuwe situatie. De beleidswijziging, die in feite een correctie inhoudt van een beleid dat op gespannen voet stond met de wet, is tijdig en naar behoren bekend gemaakt. Nu appellante desondanks heeft nagelaten betrokkenen eigener beweging als werknemer bij gedaagde aan te melden of op zijn minst navraag te doen hoe te handelen, heeft gedaagde terecht opzet of grove schuld aangenomen en een boete van 25% opgelegd.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de uitspraak van de rechtbank, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep.

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. G. van de Wiel en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2005.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J.P. Mulder.

EK2010