Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU9184

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-12-2005
Datum publicatie
06-01-2006
Zaaknummer
04/1391 AW + 04/1393 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is het verzoek om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar terecht afgewezen?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/40
USZ 2006/67
JB 2006/64 met annotatie van D. Wenders
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/1391 AW

04/1393 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravendeel, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 13 februari 2004, nrs. AWB 03/688 en 03/671, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Namens appellant is een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 oktober 2005, waar namens appellant is verschenen mr. drs. M.J.G. Schroeder, juridisch adviseur te Rotterdam. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. de Bruijn, werkzaam bij Van Kleef & Partners.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Bij besluit van 23 april 2003 heeft gedaagde aan appellant de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd op grond van door appellant gepleegd plichtsverzuim, bestaande uit het zonder melding en zonder toestemming verrichten van nevenwerkzaam-heden, het gedrag van appellant tijdens en na het gesprek dat hierover met hem op 2 december 2002 is gevoerd, het feit dat de gemeente vier door toedoen van appellant opgelegde loonbeslagen in behandeling moest nemen en het feit dat appellant zich in zijn vrije tijd niet gedraagt op een manier zoals het een goed ambtenaar betaamt.

1.3. Bij besluit van 22 juli 2003 heeft gedaagde het tegen dit besluit gemaakte bezwaar van appellant gegrond verklaard voor wat betreft de evenredigheid van de opgelegde straf, het besluit van 23 april 2003 herroepen en aan appellant de disciplinaire straf opgelegd van voorwaardelijke niet-betaling van zijn salaris tot een bedrag overeen-komende met het salaris van een halve maand. Gedaagde heeft daartoe besloten nadat hij in het kader van een volledige heroverweging van het primaire besluit een aantal aan het gestelde plichtsverzuim ten grondslag gelegde gedragingen van appellant minder zwaar heeft laten meewegen. Gedaagde heeft het verzoek van appellant tot vergoeding van de kosten die hij heeft moeten maken in de bezwarenprocedure afgewezen op de grond dat geen sprake is van aan gedaagde te wijten onrechtmatigheid.

1.4. Bij schrijven van 27 augustus 2003 heeft appellant beroep ingesteld tegen de in het besluit van 22 juli 2003 vervatte weigering van gedaagde de kosten te vergoeden die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard, aangezien naar haar oordeel niet is gebleken van een aan gedaagde te wijten onrechtmatigheid. De rechtbank acht de herroeping van het besluit van 23 april 2003 veeleer het gevolg van een andere waardering van de omstandigheden alsmede van een verandering van de omstandigheden.

3. Appellant stelt in hoger beroep dat de rechtbank het beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard, aangezien de herroeping door gedaagde van het besluit van 23 april 2003 uitsluitend berust op een andere waardering van dezelfde omstandigheden. Dit betekent dat de initieel opgelegde straf disproportioneel was en dat sprake was van aan gedaagde te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, voorzover hier van belang, worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

4.2. Bij het bestreden besluit is het besluit van 23 april 2003 herroepen omdat gedaagde de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag niet langer evenredig achtte. Daartoe is bij het bestreden besluit overwogen: “Hierbij speelt een rol dat wij de gebeurtenissen rondom 2, 3 en 4 december 2002 alsmede het feit dat u geen melding had gemaakt van de door u verrichte nevenwerkzaamheden minder zwaar hebben laten meewegen. Dit laatste, nu u inmiddels, zij het onder voorwaarden, toestemming heeft verkregen tot het verrichten van die werkzaamheden.”

4.3. Hieruit blijkt dat gedaagde het besluit van 23 april 2003 inhoudelijk niet langer juist achtte. Volgens gedaagde hield deze inhoudelijke onjuistheid geen aan hem te wijten onrechtmatigheid in, aangezien hij het besluit van 23 april 2003 slechts heeft herroepen wegens een andere waardering van omstandigheden mede omdat appellant inmiddels toestemming tot het verrichten van nevenwerkzaamheden was verleend.

4.4. De Raad overweegt als volgt. Nu gedaagde bedoelde toestemming op dezelfde dag, zij het bij afzonderlijk besluit, heeft verleend als waarop hij het primaire strafbesluit heeft genomen, heeft hij bij het primaire strafbesluit met die toestemming ten onrechte geen rekening gehouden. Naar het oordeel van de Raad berust gedaagdes gewijzigde inzicht in de ernst van het door appellant gepleegde plichtsverzuim uitsluitend op een aanvankelijke onjuiste waardering van feiten en omstandigheden, zoals deze zich ten tijde van het primaire besluit voordeden. Dat maakt het primaire besluit onrechtmatig.

De onrechtmatigheid is niet aan appellant maar aan gedaagde te wijten. De omstandig-heid dat, zoals namens gedaagde is toegelicht, bij het primaire strafbesluit met de toestemming tot het verrichten van nevenwerkzaamheden geen rekening is gehouden doordat beide besluiten van 23 april 2003 via verschillende interne trajecten zijn voorbereid, komt geheel voor rekening van gedaagde. Gedaagde heeft het verzoek om proceskostenvergoeding op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, dan ook ten onrechte afgewezen.

5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Raad zal - doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen - het beroep gegrond verklaren en het besluit van 22 juli 2003 wegens strijd met artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Awb vernietigen voorzover daarbij het verzoek om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar is afgewezen. De Raad zal voorts, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de Awb, gedaagde veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, begroot op € 644,- (2 punten, gewichtsfactor 1) wegens verleende rechtsbijstand.

6. De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant, begroot op € 644,- in beroep en € 644,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 22 juli 2003 voorzover daarbij het verzoek om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar is afgewezen;

Veroordeelt gedaagde in de kosten van appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep tot een bedrag van € 1.932,-, te betalen door de gemeente ’s-Gravendeel;

Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravendeel aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 218,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 december 2005.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.J.W. Loots.

HD

28.12

Q