Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU9132

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2005
Datum publicatie
06-01-2006
Zaaknummer
04/5957 AW + 05/261 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering tot toekenning tegemoetkoming ziektekosten echtgenote omdat deze echtgenote niet als lid van het huishouden van betrokkene en daarmee als medebetrokkene kan worden beschouwd in de zin van artikel 6 van de Zvr-regeling.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 10:3
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Regeling ziektekostenvoorziening rijkspersoneel 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/69
JB 2006/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5957 AW + 05/261 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 28 september 2004, nr. AWB 04/137 AG1 A, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 19 november 2004 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Het geding is behandeld ter zitting van 3 november 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr. J.T. Oosterhoff, werkzaam bij Aegis Optima te Odoorn, en R. de Roo, werkzaam bij KPMG FlexSourcing B.V. te Emmen. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn zoon [naam zoon].

II. MOTIVERING

1.1. Door indiening van een daartoe door hem op 30 mei 2003 ondertekend formulier heeft gedaagde appellant gevraagd om toekenning van een tegemoetkoming in de ziektekosten van hemzelf en zijn echtgenote op grond van de Regeling ziektekosten-voorziening rijkspersoneel (Zvr-regeling) voor de periode van april 2002 tot en met maart 2003.

1.2. Bij besluit van 27 juni 2003 is gedaagde vervolgens een tegemoetkoming in uitsluitend de ziektekosten van hemzelf voor genoemde periode toegekend.

Het door gedaagde tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 januari 2004 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van gedaagde tegen dit laatste besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Voorts is appellant daarbij opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van gedaagde te nemen.

In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat het door gedaagde bestreden besluit van 23 januari 2004 blijkens de ondertekening namens appellant is genomen door de directeur van KPMG FlexSourcing B.V. (KPMG FS). In artikel 1 van het door appellant op 18 september 2001 vastgestelde Mandaatbesluit Zvr-regeling is evenwel (alleen) KPMG Management Services B.V. (KPMG MS) de bevoegdheid verleend om namens appellant al die besluiten te nemen die appellant bij of krachtens de Zvr-regeling bevoegd is te nemen. KPMG FS is een andere besloten vennootschap dan KPMG MS. Van intern ondermandaat als bedoeld in artikel 5 van het Mandaatbesluit kan in dit geval volgens de rechtbank dan ook niet worden gesproken. De rechtbank heeft verder overwogen dat het, nu zowel het primaire als het bestreden besluit (onbevoegd) door KPMG FS is genomen, de vraag is of geen strijd aanwezig is met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Naar het oordeel van de rechtbank brengt het vereiste van heroverweging dat de bezwaarprocedure gelet op

artikel 7:11 van de Awb kenmerkt, mee dat die heroverweging niet geschiedt door een (andere) ondergeschikte van degene die het primaire besluit namens het bestuursorgaan heeft genomen. Gelet hierop zou moeten worden aangenomen dat het KPMG MS niet vrij staat om gebruik te maken van de haar eveneens gemandateerde bevoegdheid om te beslissen op bezwaarschriften, aldus de rechtbank.

3. Naar aanleiding van deze uitspraak is op 19 november 2004 een nieuw besluit genomen waarbij het bezwaar van gedaagde namens appellant door de directeur van KPMG MS wederom ongegrond is verklaard. Dit besluit wordt op de voet van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb betrokken bij dit geding.

4. Gelet op hetgeen appellant in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank heeft ingebracht, overweegt de Raad het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 1 van voornoemd Mandaatbesluit is KPMG MS bevoegd om namens appellant te beslissen op aanvragen in de zin van de Zvr-regeling. Voorts volgt uit artikel 3 van dit Mandaatbesluit dat KPMG MS ook bevoegd is te beslissen op bezwaarschriften tegen beslissingen op aanvragen als bedoeld. Ten slotte is in artikel 5 van het Mandaatbesluit bepaald dat KPMG MS bevoegd is intern ondermandaat te verlenen.

In de aanhef van het Mandaatbesluit wordt verwezen naar een raamovereenkomst van 11 mei 2001. Deze raamovereenkomst is in hoger beroep van de zijde van appellant overgelegd. In artikel 14.2 van deze tussen de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door appellant, en KPMG MS gesloten overeenkomst is bepaald dat KPMG MS haar rechten en verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst mag overdragen aan een dochtermaatschappij die “KPMG” in haar statutaire en handelsnaam voert, mits KPMG MS instaat voor de correcte nakoming door die dochtermaatschappij van haar verplichtingen uit deze overeenkomst. De raamovereenkomst ziet op de uitvoering van onder meer de Zvr-regeling.

4.2. Ter zitting is komen vast te staan dat KPMG MS geen dochtermaatschappij heeft en dat zowel KPMG MS als KPMG FS dochtermaatschappijen zijn van KPMG Holding N.V. De raamovereenkomst is mede ondertekend namens KPMG Holding N.V. Mede gelet hierop gaat de Raad ervan uit dat met “dochtermaatschappij” in artikel 14.2 van de raamovereenkomst een dochtermaatschappij van KPMG Holding N.V. is bedoeld en dat met intern ondermandaat in artikel 5 van het Mandaatbesluit tevens is bedoeld ondermandaat aan een dochtermaatschappij van KPMG Holding N.V.

4.3. Van belang is voorts dat KPMG MS op 8 mei 2001 heeft vastgesteld het Besluit ondermandatering uitvoering van de ZV-regelingen binnen KPMG FS per 1 juli 2002. In dit besluit is opgenomen dat de teammanagers van de productiegroepen van KPMG FS bevoegd zijn om besluiten te nemen op grond van onder meer de Zvr-regeling. Voorts is aan de directeur van KPMG FS de bevoegdheid toegekend om te beslissen op bezwaarschriften. Naar het oordeel van de Raad laat het Mandaatbesluit, bezien in samenhang met de raamovereenkomst, deze ondermandatering toe.

4.4. Van strijd met artikel 10:3, derde lid, dan wel artikel 7:11 van de Awb acht de Raad voorts geen sprake. Feitelijk wordt het besluit op de aanvraag immers steeds door een teammanager genomen terwijl het besluit op bezwaar wordt genomen door de directeur, zodat dit laatste besluit wordt genomen door een ander persoon dan degene die het primaire besluit nam. De Raad voegt hieraan nog toe dat hij het, gelet op de aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid, niet onverenigbaar acht met inhoud en strekking van de Awb dat het besluit op bezwaar in mandaat wordt genomen door een niet-ondergeschikte van het ingevolge de regeling tot beslissen bevoegde bestuursorgaan.

4.5. Gezien het vorenstaande is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het besluit van 23 januari 2004 bevoegdelijk namens appellant is genomen.

5. In overeenstemming met de wens van partijen zal de Raad dit besluit vervolgens nog aan een inhoudelijke beoordeling onderwerpen, aan welke beoordeling de rechtbank niet is toegekomen.

5.1. Appellant heeft geweigerd gedaagde een tegemoetkoming in de ziektekosten van diens echtgenote toe te kennen omdat deze echtgenote niet als lid van het huishouden van gedaagde en daarmee als medebetrokkene kan worden beschouwd in de zin van artikel 6 van de Zvr-regeling. Daarbij heeft appellant opgemerkt dat in de toelichting op de overeenkomstige bepaling van de regeling die aan de Zvr-regeling vooraf ging, is vermeld dat bij de woordkeus van de bepaling aansluiting is gezocht bij artikel 4 van de Ziekenfondswet waarin uitdrukkelijk is vastgelegd dat de ziekenfondsverzekering zich mede uitstrekt tot het gezin van betrokkene, waarmee hij samenwoont. Tussen partijen is niet in geschil, en ook voor de Raad staat vast, dat gedaagde niet met zijn echtgenote samenwoont. De echtgenote verblijft immers sedert 25 januari 2000 in een verpleeghuis, welke situatie niet als een slechts tijdelijke kan worden gezien.

5.2. Aangezien gedaagde en zijn echtgenote niet uit vrije wil gescheiden leven, is er door appellant echter niet zonder meer van uitgegaan dat sprake is van een duurzaam gescheiden leven en dat dus een gezamenlijke huishouding ontbreekt. Appellant heeft van belang geacht de vorm van de uitkering die op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) door gedaagde en zijn vrouw wordt genoten. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) die deze wet uitvoert, voert voor gevallen als dit waarin de samenleving onvrijwillig en permanent is verbroken, het beleid dat betrokkenen niettemin als gehuwd dan wel samenwonend worden beschouwd tenzij zij zelf aanvragen voor een AOW-uitkering indienen als waren zij elk van beiden alleenstaand. Gedaagde en zijn echtgenote hebben aanvragen in deze laatste zin ingediend, welke hebben geleid tot uitkeringen krachtens de AOW voor alleenstaanden met terugwerkende kracht tot 25 januari 2000. Appellant interpreteert dit aldus dat de SVB op verzoek van gedaagde heeft vastgesteld dat er bij hem sprake is van een duurzaam gescheiden leven van zijn echtgenote. Ondanks de ruime uitleg die appellant geeft aan artikel 6 van de Zvr-regeling, betekent dit volgens appellant dat geen tegemoetkoming in de ziektekosten van de echtgenote van gedaagde kan worden toegekend.

5.3. De Raad onderschrijft dit standpunt van appellant. De Raad wijst er hierbij op dat in de Zvr-regeling niet is voorzien in een zogeheten hardheidsclausule. Voor een “morele” verplichting van appellant, zoals door gedaagde bepleit, om toch een tegemoetkoming te verstrekken in de ziektekosten van de echtgenote van gedaagde, ziet de Raad geen enkele ruimte. Gelet op het vorenstaande komt de Raad tot het oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand houdt.

6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het inleidend beroep komt voor ongegrondverklaring in aanmerking. Dit brengt mee dat de grondslag ontvalt aan het naar aanleiding van die uitspraak gegeven nieuwe besluit, zodat dit besluit ook moet worden vernietigd.

7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep van gedaagde tegen het besluit van 23 januari 2004 ongegrond;

Vernietigt het besluit van 19 november 2004.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 december 2005.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.