Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU9121

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2005
Datum publicatie
05-01-2006
Zaaknummer
04/4191 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Plaatsing van gemeenteambtenaar in nieuwe functie na gemeentelijke herindeling. Heroverweging.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4191 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van 5 juli 2004, nr. AWB 04/842 AW SEE, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft voor zijn verweer verwezen naar de gedingstukken.

Het geding is behandeld ter zitting van 10 november 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. F.H. Kuiper, advocaat te Maastricht. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door L.C.E. Ehlen en H.J.J Nijssen, beiden werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant vervulde in de voormalige gemeente Sittard de functie van [functie 1].

Met ingang van 1 januari 2001 zijn de gemeenten Born, Geleen en Sittard in het kader van een gemeentelijke herindeling samengevoegd tot één gemeente, genaamd Sittard-Geleen.

In dit verband is bezien of, en zo ja op welke wijze, de personeelsleden van de drie voormalige gemeenten te werk gesteld konden worden binnen de nieuwe gemeentelijke organisatie.

Dit heeft voor appellant uiteindelijk geleid tot het besluit van 29 november 2001 waarbij hij is geplaatst als [functie 2] (hierna: [functie 2]) bij de afdeling [naam afdeling].

Bij besluit van 13 mei 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 november 2001 ongegrond verklaard.

1.2. Bij uitspraak van 17 november 2003, nr. AWB 02/894 AW, heeft de rechtbank Maastricht het besluit van 13 mei 2002 vernietigd en gedaagde opgedragen om met inachtneming van die uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van appellant te nemen. De rechtbank heeft in deze uitspraak als haar oordeel gegeven dat in dit geval ten aanzien van de functie van [functie 3] (hierna: [functie 3]), naar welke functie de voorkeur van appellant uitgaat, het beginsel “mens volgt werk” als neergelegd in artikel 3.1.2. van het sociaal statuut gemeentelijke herindeling van de gemeenten Sittard, Geleen en Born, niet van toepassing is. Voorts heeft de rechtbank onder meer overwogen dat gedaagde onvoldoende heeft gemotiveerd dat appellant niet geschikt is voor de functie van [functie 3]. Geen der partijen heeft tegen deze uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.3. Ter uitvoering van evengenoemde uitspraak heeft gedaagde het hier bestreden besluit van 3 februari 2004 genomen. In dit besluit heeft gedaagde als zijn standpunt neergelegd dat appellant niet de geschiktheid heeft om de functie van [functie 3] naar behoren uit te oefenen. Daartoe heeft gedaagde gewezen op de verslagen van gesprekken die het afdelingshoofd met appellant heeft gevoerd over de wijze waarop hij de functie van [functie 2] (inmiddels genaamd: [functie 4]) vervult. Uit deze verslagen blijkt dat appellant volgens het afdelingshoofd goed is opgewassen tegen zijn vakinhoudelijke taken, maar minder tegen zijn taken op beleidsgebied. Nadat appellant vanaf het voorjaar van 2003 een coachings- en loopbaanadviestraject had gevolgd, heeft het afdelingshoofd in een functioneringsgesprek op 1 oktober 2003 niet kunnen concluderen dat wezenlijke verbeteringen waren opgetreden. De kwaliteiten van appellant liggen op het terrein van vakinhoud en beheersmatige taken en niet (zozeer) op dat van beleidsvoorbereiding en beleidsvorming. Appellant onderkent dit zelf ook. Aan de eisen die voor een goede vervulling van de functie van [functie 3] blijkens het desbetreffende rolprofiel worden gesteld, wordt dan ook niet voldaan. Gedaagde kwam aldus tot de slotsom dat de plaatsing van appellant als [functie 4] (vooralsnog) moest worden gehandhaafd.

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 3 februari 2004 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich erover beklaagd dat gedaagde de inhoud van gesprekken die zijn afdelingshoofd in 2003 met hem heeft gehouden, in de beschouwingen heeft betrokken. Dit was alleen maar mogelijk doordat gedaagde op 13 mei 2002 een onjuist, door de rechtbank vernietigd, besluit heeft genomen. Gedaagde mag voor zijn bewijsvoering geen profijt van het uit deze vernietiging voortvloeiende tijdsverloop trekken. Naar de mening van appellant dient in dit geval dan ook een uitzondering te worden gemaakt op het beginsel van de zogeheten ex nunc-toetsing in bezwaar.

Daarnaast heeft appellant betwist dat hij niet over de kwaliteiten beschikt die vereist zijn om in aanmerking te kunnen komen voor aanstelling in de functie van [functie 3].

4. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd het volgende.

4.1. Waar het gaat om de primaire grief van appellant stelt de Raad voorop dat de in artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven heroverweging betekent dat bij het nemen van een besluit op bezwaar alle op dat moment bekende en voor het nemen van dat besluit relevante feiten en omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen. Weliswaar is denkbaar dat zich een bijzonderheid voordoet die rechtvaardigt dat hierop een uitzondering wordt gemaakt, bij voorbeeld in de vorm van een tussentijdse wijziging van de regelgeving ten ongunste van de betrokkene, maar van een zodanige bijzonderheid is in dit geval geen sprake. Gelet ook op het belang van zowel de dienst als appellant zelf dat hij niet wordt aangesteld in een functie die boven zijn krachten en bekwaamheden uitgaat, valt niet in te zien dat gedaagde de nader gebleken gegevens omtrent het functioneren van appellant buiten beschouwing had moeten laten.

4.2. Met betrekking tot de geschiktheid van appellant voor de functie van [functie 3] overweegt de Raad dat aan deze functie de salarisschaal 11 is verbonden terwijl de functie [functie 4], evenals de vorige functie van appellant, zich op schaalniveau 10 bevindt. Dit geeft al aan dat in eerstgenoemde functie zwaardere eisen gelden dan in die van [functie 4]. Blijkens de rolprofielen van deze functies dient de [functie 3] zich, anders dan de [functie 4], (ook) te richten op het initiëren van (adequaat integraal sector- en afdelings)beleid op strategisch en tactisch niveau.

Competentiekenmerken van juist deze functie zijn voorts het nemen van initiatieven en het onderhandelen. Gezien de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is voor de Raad voldoende aannemelijk geworden dat de vaardigheden van appellant niet zozeer hierin liggen. Voorts laat appellant het wat het ontwikkelen van beleid betreft reeds bij de vervulling van de functie van [functie 4] in zekere mate afweten. Overigens komt al uit het verslag van een functioneringsgesprek van 9 oktober 2000 naar voren dat het appellant enigszins aan zelfstandigheid en doortastendheid ontbreekt.

Gelet op een en ander is de Raad van oordeel dat het standpunt van gedaagde dat appellant (nog) niet de geschiktheid heeft om de functie van [functie 3] op goede wijze te vervullen, bepaald niet onhoudbaar is. Hierbij merkt de Raad nog op dat hem geenszins is gebleken dat de beoordeling van het functioneren van appellant vanwege gedaagde met vooringenomenheid heeft plaats gehad.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en mr. R. Kooper en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 december 2005.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.