Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU8989

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2005
Datum publicatie
03-01-2006
Zaaknummer
05/6344 WWB-VV + 05/3329 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Kortsluiting. Weigering bijstandsuitkering met terugwerkende kracht. Overgangsrecht op grond van de Invoeringswet Wet Werk en Bijstand.

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 67
Algemene bijstandswet 68a
Invoeringswet Wet werk en bijstand 5
Invoeringswet Wet werk en bijstand 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2006, 45
USZ 2006/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6344 WWB-VV

05/3329 WWB

U I T S P R A A K

van

DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP

in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alsmede op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb, in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens verzoeker heeft mr. J.O. Zuurmond, advocaat te Hilversum, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 april 2005, reg.nr. SBR 04/1311.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Namens verzoeker heeft mr. Zuurmond de voorzieningenrechter verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de Awb.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 5 december 2005, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Zuurmond, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door A. Kraaijkamp, werkzaam bij de gemeente Baarn.

II. MOTIVERING

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker is op zijn aanvraag van 11 april 2002, overeenkomstig het advies van IMK Intermediair te Eindhoven (hierna: het IMK) van 27 juni 2002, bij besluit van 4 september 2002 naast bedrijfskapitaal een periodieke uitkering voor levensonderhoud ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) toegekend tot en met 31 december 2002. Voorts heeft gedaagde in navolging van het nadere advies van het IMK van 28 november 2002 aan verzoeker nog een aanvullend bedrag aan bijstand ingevolge het Bbz toegekend van € 3.236,53. Tegen deze besluiten heeft verzoeker geen rechtsmiddelen aangewend.

Op 11 augustus 2003 heeft verzoeker zich wederom tot gedaagde gewend voor een periodieke uitkering voor levensonderhoud ingevolge het Bbz. Op 8 januari 2004 heeft het IMK ter zake advies uitgebracht, waarna gedaagde bij besluit van 4 februari 2004 aan verzoeker over de periode van 11 augustus 2003 tot en met 30 juni 2004 een periodieke bijstandsuitkering van € 797,75 per maand heeft toegekend.

Bij besluit van 4 mei 2004 heeft gedaagde het tegen het besluit van 4 februari 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde overwogen dat, gelet op het advies van het IMK, het contact met een medewerkster van gedaagde in mei 2003 en het bepaalde in artikel 63a (lees: 68a) van de Abw geen grond aanwezig is voor bijstandsverlening met terugwerkende kracht.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 4 mei 2004 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat per 1 januari 2004 - onder meer - de artikelen 43 en 44 van de Wet werk en bijstand (WWB) in werking zijn getreden, zodat gedaagde mede gelet op artikel 21, eerste lid , aanhef en onder a, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand (IWWB) het besluit van 4 mei 2004 ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 68a van de Algemene bijstandswet (Abw). Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat eerst op 11 augustus 2003 een aanvraag om bijstand is ingediend en dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die kunnen rechtvaardigen dat verzoeker ook over de voorafgaande periode van 1 januari 2003 tot en met 10 augustus 2003 voor bijstand in aanmerking wordt gebracht.

Verzoeker heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De voorzieningenrechter zal, gegeven de in hoger beroep niet aangevochten vernietiging door de rechtbank van het besluit van 4 mei 2004, bezien of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van dat besluit in stand heeft gelaten. Hij komt daarbij naar aanleiding van hetgeen verzoeker heeft aangevoerd tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 5 van de IWWB wordt op een aanvraag tot het verlenen van bijstand beslist met toepassing van:

a. de Algemene bijstandswet, indien het recht op bijstand ingaat vóór of op de peildatum;

b. de Wet werk en bijstand, indien het recht op bijstand ingaat na de peildatum.

Artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de IWWB bepaalt - voorzover hier van belang - dat op een bezwaar- of beroepschrift dat vóór of op de peildatum (dat is : 31 december 2003) is ingediend tegen een door het college op grond van de Algemene bijstandswet genomen besluit en waarop op die datum nog niet onherroepelijk is beslist, wordt beslist met toepassing van de Algemene bijstandswet.

De voorzieningenrechter stelt eerst vast dat de wetgever ten aanzien van aanvragen om bijstand in artikel 5 van de IWWB een specifieke bepaling van overgangsrecht heeft gegeven. In dit artikel is bepaald dat, afhankelijk van de datum waarop het recht op bijstand ingaat, wordt beslist op grond van de bepalingen van de Abw of de WWB. In dit geval is bij besluit van 4 februari 2004 een primair besluit genomen naar aanleiding van een op 11 augustus 2003 ingediende aanvraag en is recht op bijstand toegekend met ingang van laatstgenoemde datum. De in dit geding aan de orde zijnde vraag of daarbij ook over de periode van 1 januari 2003 tot 11 augustus 2003 bijstand had moeten worden toegekend, dient daarom te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Abw, in het bijzonder de artikelen 67 en 68a. Artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de IWWB is in dit geding, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet aan de orde. Deze bepaling ziet immers op gevallen waarin bezwaar wordt gemaakt tegen een vóór of op de peildatum reeds genomen besluit.

Naar vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van artikel 67 van de Abw wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen, zie de uitspraak van 8 maart 2004, LJN AT0209, ziet hij na de inwerkingtreding per 1 januari 2002 van artikel 68a van de Abw geen grond daarover wezenlijk anders te oordelen, zij het dat voor aanvraagdatum tevens meldingsdatum dient te worden gelezen. Ook in het geval sprake is van een geregistreerde meldingsdatum kan de gevraagde bijstand met ingang van een datum voorafgaand aan die meldingsdatum worden toegekend, indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

De voorzieningenrechter onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat in dit geval van een eerdere melding of aanvraag dan op 11 augustus 2003 niet is gebleken. Van een eerdere aktie richting gedaagde die als zodanig had moeten worden opgevat, is de voorzieningenrechter al evenmin gebleken. Hij merkt in dat verband nog op dat uit de stukken naar voren komt dat door een medewerkster van gedaagde eind 2002 met verzoeker is besproken dat indien nodig door hem een (verlengings)aanvraag zou worden ingediend, dat ter zitting van de voorzieningenrechter is gebleken dat verzoeker daartoe om hem moverende redenen niet is overgegaan, dat verzoeker kennelijk in mei/juni 2003 nog contact heeft gezocht met gedaagde maar ook toen besloten heeft (nog) geen aanvraag in te dienen mede omdat hij verwachtte in september 2003 een interessante opdracht te kunnen verwerven. Dat verzoeker buiten staat zou zijn geweest zelf of met behulp van derden eerder een aanvraag om bijstand in te dienen, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Dat de met de echtscheiding samenhangende psychische problematiek nadelige consequenties voor de werkzaamheden van verzoeker heeft gehad, acht de voorzieningenrechter op zichzelf niet onaannemelijk, maar dat dit tevens een beletsel heeft gevormd om tijdig een nieuwe bijstandsaanvraag in te (laten) dienen is op geen enkele wijze met objectieve gegevens onderbouwd. Daarbij neemt de voorzieningenrechter nog in aanmerking dat uit de rapportage van het IMK van 28 november 2002 juist naar voren komt dat het met verzoeker ten tijde in geding juist de goede kant op ging. Voor de stelling dat verzoeker vanwege gedaagde op onoirbare wijze van het indienen van een nieuwe of op verlenging van de eerder toegekende uitkering zou zijn afgehouden, heeft de voorzieningenrechter in de voorhanden gegevens geen aanknopingspunten gevonden. In hetgeen van de zijde van verzoeker overigens naar voren is gebracht, ziet de voorzieningenrechter ook anderszins geen bijzondere omstandigheden die gedaagde ertoe hadden moeten brengen verzoeker na zijn bezwaar alsnog bijstand met terugwerkende kracht te verlenen.

Ook de voorzieningenrechter komt derhalve tot de conclusie dat gedaagde terecht heeft geweigerd aan verzoeker recht op bijstand met terugwerkende kracht tot 1 januari 2003 toe te kennen.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

Onder deze omstandigheden bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening geen grond, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.

Voor een veroordeling in de proceskosten en voor een bepaling omtrent de vergoeding van griffierecht ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

in de hoofdzaak:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;

op het verzoek om een voorlopige voorziening:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.

Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 december 2005.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) P.C. de Wit.