Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU8528

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2005
Datum publicatie
22-12-2005
Zaaknummer
04/6805 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vooruitbetaling voor arbeid in dienstbetrekking die eerst na bereiken van de 65-jarige leeftijd is verricht. Korten als arbeidsinkomsten?

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2006, 313
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6805 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats] (Israël), eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 31 augustus 2004, kenmerk JZ/U80/2004/0592, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift, met bijlage, is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft hierop schriftelijk gereageerd en nadien nog een stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 november 2005. Aldaar is eiser niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken is eiser, geboren [in] 1937, vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet.

Bij de definitieve vaststelling van de eiser over het jaar 2002 toekomende periodieke uitkering heeft verweerster, naar is vastgelegd in een berekeningsbeschikking van 30 november 2003 en het daarbij behorende schrijven van 27 november 2003, onder meer op grond van artikel 19, eerste lid, onder a, van de Wet over de periode van januari tot oktober 2002 alsnog een korting toegepast in verband met een door eiser in dat jaar ontvangen, zogenoemde sabbatical pay, en het teveel betaalde bedrag op grond van artikel 59a van de Wet teruggevorderd.

In bezwaar tegen deze korting en terugvordering heeft eiser erop gewezen dat de genoemde betaling diende als (vooruit-)betaling voor werkzaamheden die eerst ná het bereiken van de 65-jarige leeftijd door hem zijn verricht, zodat artikel 19, eerste lid, onder a, van de Wet ten onrechte is toegepast.

Dit bezwaar heeft verweerster bij het bestreden besluit ongegrond verklaard, onder overweging dat ingevolge artikel 19 van de Wet inkomsten uit tegenwoordige arbeid of beroep over de periode waarin deze inkomsten zijn ontvangen op de periodieke uitkering in mindering dienen te worden gebracht en dat aldus het moment van betaling, in het jaar 2002, doorslaggevend is.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, onder a, van de Wet - voorzover hier van belang - worden op de uitkeringen in mindering gebracht, indien de betrokkene de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, de bruto inkomsten uit tegenwoordige arbeid in beroep of bedrijf.

Vaststaat dat de onderhavige betaling in het jaar 2002 is gedaan als beloning voor het verrichten van arbeid in tegenwoordige dienstbetrekking.

Aangezien ingevolge het systeem van de Wet - naar met name blijkt uit artikel 59a van de Wet - de periodieke uitkering per jaar definitief wordt vastgesteld, is geen andere conclusie mogelijk dan dat zodanige betaling dient te worden toegerekend aan het (gehele) jaar waarin die betaling heeft plaatsgevonden.

In de hier geldende wettelijke bepalingen, die een dwingend karakter hebben, is niet de mogelijkheid opgenomen om van deze systematiek af te wijken.

De door eiser naar voren gebrachte omstandigheid dat de vooruitbetaling, achteraf gezien, op onjuiste gronden heeft plaatsgevonden - namelijk in de veronderstelling dat een sabbatical pay na het bereiken van de 65-jarige leeftijd niet meer mogelijk zou zijn - is gezien het vorenstaande niet van belang.

Een en ander leidt de Raad tot de slotsom dat verweerster - ervan uitgaande dat de periodieke uitkering maandelijks wordt uitbetaald - bij het berekenen van de korting vanwege arbeidsinkomsten in de maanden tot oktober 2002 terecht ook het sabbatical pay in aanmerking heeft genomen.

Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 december 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) J.P. Schieveen.