Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU8360

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2005
Datum publicatie
19-12-2005
Zaaknummer
05-2145 BPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering buitengewoon pensioen. Is er sprake geweest van ernstige verstoring van levensomstandigheden, waarmee de betrokkene tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 is geconfronteerd geweest als gevolg van verzet van derden?

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2145 BPW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[[achternaam]] wonende te Heerlen, eiseres,

en

de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 14 maart 2005, kenmerk 86478, heeft verweerster ten aanzien van eiseres uitvoering gegeven aan de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, hierna: de Wet.

Namens eiseres is tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld door mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen. In een aanvullend beroepschrift is aangegeven waarom eiseres zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 oktober 2005. Aldaar is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van Berkel voornoemd als haar raadsman. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. F.M.H. Kok, werkzaam bij Loyalis Maatwerkadministraties B.V..

II. MOTIVERING

Eiseres, geboren op 10 april 1939, heeft in november 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een buitengewoon pensioen ingevolge de Wet. Hierbij heeft eiseres - voor zover nog van belang - een beroep gedaan op artikel 3 van het ter uitvoering van artikel 1, tweede lid, van de Wet tot stand gebrachte Koninklijk Besluit van 8 juli 1978, Stb. 422, hierna: het Besluit. In dit verband heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat zij psychisch letsel heeft opgelopen in verband met het verzet van derden, in dit geval haar vader F.J. [achternaam] en haar oom P.H. [achternaam].

Verweerster heeft de aanvraag van eiseres afgewezen bij besluit van 14 mei 2004 en deze afwijzing na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit. Verweerster heeft daarbij in navolging van de Stichting 1940-1945 het standpunt ingenomen dat de vader van eiseres niet heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet in de zin van de Wet en voorts dat het verzet van haar oom, die als deelnemer aan het verzet is aanvaard, zich buiten de leefwereld en invloedssfeer van eiseres heeft afgespeeld.

Eiseres kan zich met dit standpunt van verweerster niet verenigen.

De Raad overweegt als volgt.

In artikel 3 van het Besluit is aan verweerster de bevoegdheid toegekend bij een aanvraag als die van eiseres te komen tot gelijkstelling met de categorie van personen als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 3, van het Besluit, te weten zij die in verband met het verzet van derden lichamelijk letsel hebben opgelopen.

Het bestreden besluit is vrucht van beleid dat verweerster in het kader van de toepassing van artikel 3 van het Besluit hanteert, waarbij de kernvraag is of sprake is geweest van een ernstige verstoring van levensomstandigheden, waarmee de betrokkene tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 is geconfronteerd geweest als gevolg van het verzet van derden. De Raad heeft in constante jurisprudentie dit beleid van verweerster als niet onredelijk aangemerkt.

Uit de gedingstukken blijkt dat de Stichting 1940-1945, hierna: de Stichting, onderzoek heeft verricht naar het mogelijke verzet van de vader van eiseres die is geboren op

20 januari 1913 en is overleden op 1 januari 1952. Bij dit onderzoek zijn bij de Stichting berustende dossiers alsmede registraties en bestanden van de Stichting geraadpleegd. Voorts zijn instanties benaderd en publicaties geraadpleegd over de ondergrondse pers en de illegaliteit in Limburg. Bij dit grondig te noemen onderzoek is geen bevestiging verkregen van de door eiseres ten behoeve van haar aanvraag naar voren gebrachte verzetsactiviteiten van haar vader, te weten: het lidmaatschap van de in de omgeving van Heerlen opererende verzetsgroep Smit, het drukken van illegale pamfletten en kranten en voorts de betrokkenheid bij pilotenhulp.

Namens eiseres is in dit verband gewezen op een in de door de Stichting met betrekking tot het verzet van haar oom P.H. [achternaam] uitgebrachte rapportage voorkomend citaat uit een brief van 5 oktober 1964 van J.L. Vliegen, gemeentesecretaris van Voerendaal, waarin gerefereerd wordt aan de samenwerking van deze oom met zijn broer, de vader van eiseres, bij de verspreiding van illegale lectuur.

Met verweerster acht de Raad deze bevestiging van illegale activiteiten van de vader van eiseres onvoldoende om hem in afwijking van het door de Stichting ingenomen standpunt toch aan te merken als deelnemer aan het verzet in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wet, nu ieder inzicht in de aard, de omvang en de feitelijke duur van het aan de vader van eiseres toe te rekenen aandeel in deze illegale activiteiten ontbreekt. De activiteiten van eiseres’ vader kunnen mitsdien ook naar het oordeel van de Raad niet dienen als grond voor toepassing van artikel 3 van het Besluit.

Verweerster heeft voorts geoordeeld dat de levensomstandigheden van eiseres tijdens de oorlogsjaren niet zijn verstoord door het verzet van haar oom, geboren op 25 oktober 1922 en overleden op 5 juli 1970, aangezien dit verzet zich heeft afgespeeld buiten de leefwereld van eiseres. De Raad acht dit standpunt van verweerster juist. Op grond van de omtrent het verzet van deze oom voorhanden gegevens moet de Raad vast stellen dat deze oom tijdens de oorlogsjaren grotendeels heeft verbleven op andere plaatsen (gevangenschap dan wel onderduik) dan in zijn ouderlijk huis [adres] in Voerendaal, waar eiseres met haar familie tijdens de oorlog heeft verbleven. De omstandigheid dat hij wel in juni 1943 aldaar is gearresteerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

Gegeven de omstandigheid dat de vader van eiseres niet kan worden aangemerkt als deelnemer aan het verzet in de zin van de Wet en het verzet van de oom van eiseres zich heeft afgespeeld buiten haar directe leefomgeving, heeft verweerster naar het oordeel van de Raad terecht geen grond aanwezig geacht om ten aanzien van eiseres toepassing te geven aan haar in artikel 3 van het Besluit gegeven bevoegdheid.

Dit betekent dat het beroep van eiseres ongegrond verklaard moet worden.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en

mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.