Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU8342

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-12-2005
Datum publicatie
19-12-2005
Zaaknummer
04/4957 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Studiefinanciering is toegekend voor een opleiding die betrokkene niet heeft gevolgd. Geen recht op studiefinanciering. Terugvordering. Is niet tijdig inleveren van de OV-studentenkaart in redelijkheid verwijtbaar?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2006, 62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4957 WSF

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, appellante,

en

[gedaagde], wonende te Landgraaf, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Door appellante is op bij aanvullende beroepschriften van 21 september 2004 en van

18 oktober 2005 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen gegeven uitspraak van de rechtbank Maastricht van 30 juli 2004, nr. 03/1367 WSFBSF.

Namens gedaagde is een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 november 2005. Aldaar heeft appellante zich doen vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep. Gedaagde is verschenen bij zijn gemachtigde

mr. A.M.L. Josten, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg.

II. MOTIVERING

Gedaagde heeft bij formulier van 11 augustus 2002 studiefinanciering aangevraagd voor een opleiding ‘European Public Administration’ aan de Universiteit Maastricht.

Hierop heeft appellante gedaagde met ingang van 1 september 2002, naast een lening, onder het regime van de prestatiebeursregeling, studiefinanciering in de vorm van een basisbedrag en een OV-studentenkaart toegekend voor een opleiding ‘European studies’ aan de Universiteit Maastricht.

Na een inschrijvingscontrole heeft appellante de toekenning van studiefinanciering aan gedaagde over het studiejaar 2002-2003 bij besluiten van 15 augustus 2003 herzien, in die zin dat vanaf 1 september 2002 geen studiefinanciering meer is toegekend. Daarbij is € 4.913,18 te veel uitbetaalde toelage teruggevorderd. Verder is ten laste van gedaagde een vordering wegens het niet tijdig inleveren van de OV-studentenkaart vastgesteld van € 1.360,-.

Het bezwaar dat gedaagde hiertegen heeft ingediend, is bij besluit van 28 oktober 2003 (hierna: het bestreden besluit) door appellante ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat gedaagde studiefinanciering is toegekend voor de reguliere bacheloropleiding ‘European studies’ en dat bij controle is gebleken dat gedaagde niet voor deze opleiding, maar voor de niet geaccrediteerde postinitiële masteropleiding ‘European Public Affairs’ ingeschreven heeft gestaan. Appellante heeft haar herzieningsbeslissing gebaseerd op artikel 7.1, tweede lid, sub c, van de Wet studiefinanciering 2000 (hierna: WSF 2000). Verder is verwezen naar het bepaalde in artikel 3.27 van de WSF 2000.

Bij uitspraak van 30 juli 2004 heeft de rechtbank Maastricht het door gedaagde tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2, 3:4 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarbij heeft de rechtbank appellante opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen door de rechtbank is overwogen, een en ander met aanvullende beslissingen inzake griffierecht en proceskosten.

Haar oordeel heeft de rechtbank doen steunen op de overweging dat - kort weergegeven - ten aanzien van de bevoegdheid om te herzien appellante zich er ten onrechte geen rekenschap van heeft gegeven dat de accreditatieorganisatie pas na de invoering van de bachelor/master-structuur is opgericht en werkzaam geworden en dat de opleiding ‘European Public Affairs’ die gedaagde gevolgd heeft inmiddels wel is geaccrediteerd. Verder is overwogen dat ten onrechte een vordering wegens het niet tijdig inleveren van de OV-studentenkaart ten laste van gedaagde is vastgesteld, aangezien gedaagde genoegzaam heeft aangetoond dat het niet tijdig inleveren van de OV-studentenkaart hem niet in redelijkheid verweten kan worden.

Appellante heeft zich niet kunnen verenigen met het oordeel van de rechtbank. Daartoe heeft appellante in essentie aangevoerd dat er in het onderhavige geval geen aanleiding is om niet ten volle gebruik te maken van de herzieningsbevoegdheid, aangezien gedaagde vanaf september 2002 niet ingeschreven heeft gestaan voor het volgen van op studiefinanciering aanspraak gevend onderwijs en er geen aan appellante toe te rekenen fouten zijn gemaakt die moeten leiden tot matiging van de herziening. Verder is in dit verband aangegeven dat de postinitiële masteropleiding ‘European Public Affairs’ die door gedaagde is gevolgd, in tegenstelling tot de initiële masteropleiding ‘European Public Affairs’ die de Universiteit Maastricht vanaf 1 september 2004 aanbiedt, nimmer is geaccrediteerd en dat daar door de onderwijsinstelling ook niet om is gevraagd. Ten aanzien van het oordeel dat de ten laste van gedaagde vastgestelde vordering wegens het niet tijdig inleveren van de OV-studentenkaart ten onrechte is gehandhaafd, heeft appellante aangevoerd dat niet is aangetoond dat gedaagde het niet tijdig inleveren van de OV-studentenkaart op geen enkele wijze kan worden toegerekend.

De Raad overweegt als volgt.

Allereerst stelt de Raad vast dat gedaagde over het studiejaar 2002-2003 geen (wettelijk) recht had op studiefinanciering. Daartoe overweegt de Raad dat ingevolge de WSF 2000, voor zover in dit geding van belang, uitsluitend studiefinanciering kan worden toegekend aan studerenden die voldoen aan het formele vereiste dat zij ingeschreven staan voor een geaccrediteerde opleiding. Gedaagde heeft niet aan dit vereiste voldaan.

Verder is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat zich in het onderhavige geval (mogelijk) een situatie voordoet op grond waarvan appellante niet in redelijkheid ten volle gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om een beschikking waarbij studiefinanciering is toegekend te herzien. Daartoe overweegt de Raad dat gedaagde niet aannemelijk heeft gemaakt dat van de zijde van appellante in rechte te honoreren toezeggingen zijn gedaan en dat gedaagde uit het primaire toekenningsbesluit had kunnen en moeten afleiden dat hem studiefinanciering is toegekend voor een opleiding die hij niet heeft gevolgd. Verder merkt de Raad in dit verband op dat niet is gebleken dat het feit dat de accreditatieorganisatie pas na

1 september 2002 is opgericht en werkzaam geworden in de weg heeft gestaan aan accreditatie van de door gedaagde in het studiejaar 2002-2003 gevolgde opleiding. Indien gedaagde meent dat deze door de onderwijsinstelling als postinitiële masteropleiding aangeboden opleiding ten onrechte niet is geaccrediteerd, ligt het op zijn weg om daartegen bij de onderwijsinstelling te protesteren, nu die ervan heeft afgezien om een verzoek tot accreditatie in te dienen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen stelt de Raad vast dat gedaagde niet heeft voldaan aan de verplichting om de OV-studentenkaart tijdig in te leveren. Bij niet tijdig inleveren van de OV-studentenkaart is degene aan wie de kaart is verstrekt ingevolge artikel 3.27, derde lid, van de WSF 2000 voor het nog resterende deel van de geldigheidsduur ervan een bedrag van € 68,- per halve kalendermaand of een deel van een halve kalendermaand verschuldigd, tenzij met betrekking tot die periode of een gedeelte daarvan wordt aangetoond dat het niet tijdig inleveren van de kaart betrokkene op geen enkele wijze kan worden toegerekend. Dat er sprake is van een situatie waarin het niet tijdig inleveren van de kaart betrokkene op geen enkele wijze kan worden toegerekend, is in het onderhavige geval niet aangetoond. Dat gedaagde te goeder trouw studiefinanciering heeft genoten en heeft beschikt over een OV-studentenkaart, kan daar op zichzelf niet aan afdoen.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep van appellante doelt treft, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Verder is de Raad van oordeel dat het inleidend beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en

mr. J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2005.

(get.) J. Janssen.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.