Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU8154

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2005
Datum publicatie
16-12-2005
Zaaknummer
04/4516 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Anti-hardheid, geen aanleiding om te anticiperen op nieuw beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4516 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats] (Canada), eiseres,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 27 juli 2004, kenmerk JZ/A60/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dat besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift - nog aangevuld bij brief van 26 september 2005 - heeft zij uiteengezet waarom zij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 oktober 2005, waar eiseres niet is verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres, geboren in 1926 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in februari 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om op grond van de Wet te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering. Eiseres heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die naar haar mening het gevolg zijn van haar oorlogservaringen tijdens de Japanse bezetting en de daarop volgende zogenoemde Bersiapperiode.

Aangezien eiseres wel de Nederlandse nationaliteit bezit, maar sinds 1963 niet meer in Nederland woont, heeft verweerster met haar instemming de aanvraag in eerste instantie getoetst aan de vraag of het niet voldoen aan het woonplaatsvereiste een belemmering vormt voor de gevraagde erkenning.

Verweerster heeft op 9 januari 2004 afwijzend op de aanvraag beslist, primair omdat eiseres niet voldoet aan het in Wet gestelde vereiste dat zij ten tijde van de aanvraag in Nederland woonde en voorts omdat niet was gebleken van bijzondere (medische) omstandigheden op grond waarvan het een klaarblijkelijke hardheid zou zijn de Wet niet toe te passen.

Verweerster heeft dit besluit - na bezwaar - gehandhaafd bij het thans bestreden besluit.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Vast staat dat eiseres niet voldoet aan het ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet geldende vereiste dat het burger-oorlogsslachtoffer op de datum van de aanvraag hier te lande gevestigd is. Dit vereiste vloeit voort uit het bij de totstandkoming van de Wet vastgestelde uitgangspunt dat de bijzondere solidariteitsplicht jegens burger-oorlogsslachtoffers die aan de Wet ten grondslag ligt een naar woonland beperkte reikwijdte heeft.

Ingevolge artikel 3, zesde lid, van de Wet kan verweerster de Wet evenwel van toepassing verklaren op degene, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of daarna als burger is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet, maar die niet aan genoemd vereiste voldoet, indien het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

Verweerster hanteert met betrekking tot deze aan haar toekomende bevoegdheid beleidsregels. Deze houden in de eerste plaats in dat alleen een klaarblijkelijke hardheid als bedoeld in de Wet wordt aangenomen, indien het buiten Nederland gevestigd zijn is veroorzaakt door bijzondere omstandigheden die, objectief bezien, buiten de directe invloedssfeer van betrokkene liggen. Hierbij denkt verweerster met name aan grenscorrecties en een stringente medische noodzaak tot vestiging in het buitenland van ofwel het burger-oorlogsslachtoffer, ofwel zijn of haar echtgeno(o)t (e), dan wel tot het gezin behorende minderjarige kinderen. De stringente medische noodzaak dient door betrokkene te worden aangetoond door het overleggen van medische gegevens. In december 2004 heeft verweerster voorts aanvullende beleidsregels gepubliceerd die inhouden dat als betrokkene buiten Nederland is gevestigd tevens een klaarblijkelijke hardheid wordt aangenomen als hij of zij zich vóór de emigratie feitelijk in Nederland had gevestigd en thans in het buitenland in financieel behoeftige omstandigheden verkeert. Als interne gedragslijn hanteert verweerster dat aanvragen en bezwaarschriften die op 1 juli 2004 nog (inhoudelijk) in behandeling waren ook worden getoetst aan deze aanvullende beleidsregels.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad kunnen de beleidsregels zoals deze tot december 2004 hebben gegolden niet als kennelijk onredelijk worden aangemerkt. Over het aanvullende beleid heeft de Raad zich nog niet uitgesproken. Daartoe is ook met betrekking tot de onderhavige aanvraag van eiseres geen aanleiding, nu haar bezwaarschrift op 1 juli 2004 inhoudelijk reeds was behandeld en het nieuwe beleid op deze datum nog niet was vastgesteld en bekend gemaakt.

De Raad is van oordeel dat verweerster daarom de aanvraag en het bezwaar van eiseres terecht heeft getoetst aan het beleid zoals dat ten tijde van de behandeling daarvan gold.

Vervolgens dient de Raad te beoordelen of verweerster dat beleid voldoende in acht heeft genomen. Eiseres heeft desgevraagd aan verweerster medegedeeld dat, nadat zij met haar echtgenoot in 1959 definitief was vertrokken uit Indonesië, is gebleken dat haar echtgenoot niet goed kon aarden in Nederland, hetgeen mede verband hield met hun woonsituatie in Amsterdam, en dat zij daarom in 1963 naar Canada zijn geëmigreerd, waar een broer van haar echtgenoot woonde. Naar vaste rechtspraak van de Raad kunnen deze omstandigheden niet als een dringende (medische) reden voor emigratie naar Canada worden aangemerkt als bedoeld in het beleid van verweerster. Dit betekent dat het bestreden besluit in overeenstemming met het beleid is genomen.

Voorts overweegt de Raad dat eiseres aanvankelijk zelf als hardheid had aangevoerd dat familieleden in Nederland wel voor een uitkering in aanmerking komen, terwijl zij tijdens de Bersiapperiode in dezelfde omstandigheden als eiseres hebben verkeerd. Indien in Nederland wonende familieleden wel erkend zijn in de zin van de Wet, kan dat echter geen grond vormen voor het oordeel dat sprake is van klaarblijkelijke hardheid, nu de Wet juist uitgaat van het vereiste dat betrokkene tijde van de aanvraag in Nederland woont.

In de situatie van eiseres ziet de Raad ook anderszins onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat verweerster, in afwijking van haar beleid, haar met toepassing van artikel 3, zesde lid, onder de werking van de Wet had moeten brengen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het beroep van eiseres ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.