Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU8149

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2005
Datum publicatie
16-12-2005
Zaaknummer
04/4255 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Erkenning van betrokkene als burgeroorlogsslachtoffer; Weigering tot toekenning periodieke uitkering. Heeft betrokkene in 1993 haar laatste werkzaamheden moeten beëindigen in verband met haar psychische oorlogsinvaliditeit?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4255 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 29 juni 2004, kenmerk JZ/P60/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiseres uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden is namens eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld door

mr. drs. C. Lamphen, advocaat te Utrecht.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad op 20 oktober 2005. Aldaar is eiseres verschenen bij gemachtigde mr. drs. C. Lamphen voornoemd en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres, die is geboren [in] 1934 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in april 2000 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van onder meer een periodieke uitkering als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Bij besluit van 8 januari 2002 heeft verweerster deze aanvraag van eiseres afgewezen op de grond dat bij haar geen sprake is van invaliditeit ten gevolge van het aannemelijk geachte oorlogsgeweld. Een door eiseres tegen dit besluit ingediend bezwaar heeft geleid tot het thans bestreden besluit. Hierbij heeft verweerster eiseres op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en aan haar de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet toegekend. Een periodieke uitkering is aan eiseres geweigerd op de grond dat niet is gebleken dat eiseres door haar oorlogsinvaliditeit is gedwongen geweest haar werkzaamheden in beroep of bedrijf te beëindigen of blijvend te verminderen.

Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Zij heeft aangevoerd dat zij haar laatst verrichte werkzaamheden wel degelijk in verband met haar oorlogsinvaliditeit heeft moeten beëindigen. In dit verband verwijst eiseres naar een door haar ingebracht overzicht van de Landesversicherungsanstalt Westfalen omtrent haar arbeidsverleden in Duitsland, waar zij tot in 1994 woonde, en de daarbij opgebouwde verzekeringstijd-vakken, waaruit blijkt dat zij vanaf 30 september 1993 geen werkzaamheden meer heeft verricht en uitkering heeft genoten tot zij op 60-jarige leeftijd (vervroegd) met pensioen is gegaan. Voorts verwijst zij naar informatie van psychiater dr. R. Kühnau te Krefeld, die eiseres onder meer in de periode januari tot juni 1994 heeft behandeld en naar informatie van psychiater G. Luberg-Sievers, die als opvolgster van dr. Künau op basis van het beschikbare patiëntendossier tot de conclusie is gekomen dat eiseres in 1994 in verband met psychische klachten niet in staat moet zijn geweest haar arbeid te verrichten.

In dit geding staat centraal de vraag of eiseres in 1993 haar laatste werkzaamheden heeft moeten beëindigen in verband met haar psychische oorlogsinvaliditeit.

De Raad overweegt als volgt.

Naar verweerster bij verweerschrift en ter zitting heeft aangevoerd, is verweerster in hoofdzaak tot haar standpunt gekomen omdat uit de ten dienste staande gegevens niet duidelijk is wanneer eiseres werkzaam is geweest en waarom zij haar werkzaamheden heeft beëindigd. In deze opvatting kan de Raad verweerster niet volgen. Hoewel eiseres zelf niet in staat is gebleken exacte gegevens hieromtrent te verschaffen heeft zij bovengenoemd door de Landesversicherungsanstalt Westfalen verstrekte overzicht ter ondersteuning van haar bezwaarschrift bij verweerster ingebracht, waaruit naar het oordeel van de Raad met zekerheid is af te leiden in welke perioden eiseres werkzaam is geweest en ook dat zij na 30 september 1993 niet meer heeft gewerkt en “Sozialleistungen” heeft ontvangen, welke uitkeringen, naar blijkt uit de op het overzicht gegeven toelichting, onder meer worden verstrekt in geval van ziekte. Deze laatste omstandigheid had, gevoegd bij het op basis van de beschikbare medische informatie door verweersters geneeskundig adviseur ingenomen standpunt dat het bestaan van een causale arbeidsongeschiktheid in die periode aannemelijk is te achten, voor verweerster aanleiding moeten zijn informatie in te winnen bij de laatste werkgever ([naam werkgever]) die eiseres blijkens de bij het overzicht van de Landesversicherungsanstalt Westfalen gevoegde bijlage heeft gehad en deze moeten vragen naar de reden van werkbeëindiging in 1993. Nu verweerster dit heeft nagelaten is het bestreden besluit naar het oordeel van de Raad niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en komt deswege, als zijnde in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerster te veroordelen in de proceskosten van eiseres, ten bedrage van € 644,- aan kosten van juridische bijstand.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;

Bepaalt dat verweerster aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.