Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU8146

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2005
Datum publicatie
16-12-2005
Zaaknummer
04/3593 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Causaliteit psychische klachten. Betekenis van het SOT-beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2006, 312
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/3593 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 28 mei 2004, kenmerk CR 1738/2004 , heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift, zoals nadien schriftelijk aangevuld onder inzending van nadere stukken, is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 november 2005. Aldaar is eiser in persoon verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Bij uitspraak van de Raad van 22 januari 2004, nr. 03/2398 WUBO, is - onder vernietiging in zoverre van het toen bestreden besluit van verweerster van 6 mei 2003 - vastgelegd dat wel voldoende aannemelijk is geworden dat eiser ten tijde van de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië verschillende keren aanwezig is geweest bij ernstige mishandeling van zijn vader door leden van de bezettende macht en dat deswege is voldaan aan het bepaalde in artikel 2, eerste lid onder d, van de Wet. Verder is in de uitspraak vastgelegd dat dit niet geldt voor de gestelde aanwezigheid van eiser bij executies, nu daarvan onvoldoende bevestiging is verkregen. Voor het overige wordt hier naar deze uitspraak verwezen.

Ter uitvoering van genoemde uitspraak heeft verweerster eiser - terecht - aan een medisch onderzoek doen onderwerpen, dit ter beantwoording van de vraag of is voldaan aan het ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet tevens geldende vereiste dat sprake is van ziekten of gebreken tengevolge van de in aanmerking te nemen oorlogscalamiteiten, leidende tot blijvende invaliditeit.

Die vraag heeft verweerster vervolgens, overeenkomstig een terzake uitgebracht medisch rapport en advies van haar geneeskundig adviseur M. Hoornstra-Deurloo, bij het nu bestreden besluit ontkennend beantwoord. Daartoe is overwogen dat bij eiser weliswaar sprake is van psychische klachten, hoge bloeddruk, hartklachten, een hoog cholesterol en suikerziekte, maar dat deze ziekten of gebreken niet in verband zijn te brengen met de voor toepassing van de Wet aanvaarde oorlogscalamiteiten. Wat betreft de psychische klachten is in het bijzonder in aanmerking genomen dat blijkens het ingewonnen medisch advies bij het tot stand komen van die klachten veel factoren uit eisers vroege jeugd een rol hebben gespeeld en dat de geverifieerde oorlogscalamiteit hiervan een zo beperkt onderdeel uit maakt dat een causaal verband niet kan worden aanvaard.

In dit geding staat ter beantwoording de vraag of het thans bestreden, ter uitvoering van voormelde uitspraak van de Raad genomen besluit in rechte kan standhouden, hierbij gelet op hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd.

De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

In het voormelde rapport en advies van verweersters geneeskundig adviseur is, onder meer, aangegeven dat bij eiser sprake is van een chronische posttraumatische stressstoornis (PTSS) met verlaat begin. Vermeld is dat bij de symptomen daarvan verschillende, voor een kind zeer bedreigende zaken die eiser tussen 1943 en 1950 heeft meegemaakt, een rol spelen. Een van die factoren wordt gevormd door eisers directe confrontatie met hetgeen zijn vader van de Japanse bezetter heeft moeten verduren, welke factor de geneeskundig adviseur heeft beoordeeld als een beperkt onderdeel van het geheel van traumatiserende factoren. Door de geneeskundig adviseur wordt voorts opgemerkt dat de PTSS wel causaal aanvaard zou kunnen worden, indien ook de aanwezigheid bij executies zou mogen worden meegewogen.

Verweerster voert in zaken als de onderhavige, waarin het gaat om personen van jeugdige leeftijd ten tijde van de oorlogsjaren, een beleid betreffende zogenoemde sequentiële oorlogstraumatisering (SOT), inhoudende dat naast de geverifieerde oorlogscalamiteiten ook andere, niet geverifieerde calamiteiten met een persoonlijk karakter bij de causaliteitsbeoordeling van ziekten of gebreken kunnen meewegen, mits tenminste één calamiteit in de zin van de Wet is aan te wijzen die van betekenende invloed is geweest op het ontstaan van de psychische problematiek van de betrokkene. De Raad heeft dit beleid meerdere malen beoordeeld als passend bij een redelijke uitleg en toepassing van de Wet.

Het geschil tussen partijen spitst zich aldus toe op de vraag of terecht is overwogen dat de geverifieerde calamiteit, als hierboven omschreven, niet van betekenende invloed is geweest op het ontstaan van eisers psychische problematiek.

Die vraag beantwoordt de Raad ontkennend.

Hierbij stelt de Raad voorop dat het begrip “niet van betekenende invloed” in door hem eerder beoordeelde soortgelijke zaken door verweerster steeds is uitgelegd als: van volstrekt ondergeschikt belang, of: te verwaarlozen in het geheel van omstandigheden, waarbij ook de ernst van de geverifieerde calamiteit in aanmerking wordt genomen. Die uitleg heeft de Raad, gelet op het met dit beleid te dienen belang, ook steeds gevolgd.

Uitgaande van deze uitleg kan naar ‘s Raads oordeel niet worden staande gehouden dat de aanvaarde calamiteit niet van betekenende invloed is geweest op het ontstaan van de psychische klachten van eiser. Daarbij laat de Raad wegen dat de, gedwongen, herhaaldelijke aanwezigheid van eiser bij de ondervraging en mishandeling van zijn vader als een, voor een jong kind, bepaald ernstige gebeurtenis is aan te merken en dat die gebeurtenis bij het onderzoek van de geneeskundig adviseur ook duidelijk naar voren komt als afzonderlijke factor die - naast andere factoren - bij het ontstaan van eisers PTSS een rol heeft gespeeld. De geneeskundig adviseur spreekt in zijn rapport ook niet van een te verwaarlozen factor maar van een “beperkt onderdeel”.

Het voorgaande betekent dat de gestelde aanwezigheid van eiser bij executies in het kader van het SOT-beleid ten onrechte niet is meegenomen. Nu de geneeskundig adviseur in haar rapport voorts heeft geoordeeld dat het wel meewegen van deze omstandigheid meebrengt dat eisers PTSS causaal kan worden aanvaard - aan de juistheid van welk oordeel de Raad geen reden heeft tot twijfel - komt de Raad tot de slotsom dat verweerster bij het bestreden besluit ten onrechte niet heeft aanvaard dat eisers psychische klachten in het door de Wet vereiste verband staan met de in aanmerking te nemen oorlogscalamiteiten.

Het bestreden besluit kan derhalve, als zijnde genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet in rechte standhouden.

De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om verweerster te veroordelen in de kosten van eiser, welke zijn begroot op

€ 13,90 als reiskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit zal nemen met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiser het in dit geding betaalde griffierecht ad € 35,-- vergoedt;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 13,90, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.