Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AU8145

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2005
Datum publicatie
16-12-2005
Zaaknummer
04/3180 MPW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht geweigerd bij de vaststelling van het militair invaliditeitspensioen uit te gaan van een hoger invaliditeitspercentage?

Niet gebleken van een toename van uit de schouderaandoening voortvloeiende beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/3180 MPW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Australië), appellant,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op bij beroepschrift, met bijlagen, uiteengezette gronden heeft appellant bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 6 mei 2004, nummer AWB 03/1375 MPW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 oktober 2005. Daar is appellant, zoals vooraf werd bericht, niet verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door P.J. Consten, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.

II. MOTIVERING

Ten aanzien van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad, onder verwijzing voor het overige naar de aangevallen uitspraak, met het volgende.

Bij besluit van 25 mei 2002, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit 27 februari 2003, heeft gedaagde met toepassing van het Besluit bijzondere militaire pensioenen beslist dat geen aanleiding bestaat om bij de berekening van het aan appellant toekomende militair invaliditeitspensioen uit te gaan van een hoger invaliditeitspercentage voor zijn schouderaandoening dan de eerder reeds toegekende 10% (bij een totale mate van invaliditeit, op grond van meerdere in aanmerking genomen aandoeningen, van 65%, afgerond 70%). Gedaagde heeft dit besluit gebaseerd op de resultaten van een op zijn verzoek naar die aandoening nader ingesteld militair geneeskundig onderzoek, in het kader waarvan appellant is gezien door een - al bij de eerdere beoordeling geraadpleegd - tweetal medisch specialisten.

De rechtbank heeft het door appellant tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard, onder overweging - kort gezegd - dat uit het nader ingestelde militair geneeskundig onderzoek noch uit de door eiser nog overgelegde medische verklaringen is gebleken van een toename van uit de schouderaandoening voortvloeiende beperkingen, zoals te waarderen op grond van (nummer 0142 van) de toepasselijke WPC-schaal.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd - samengevat - dat met het toegekende invaliditeitspercentage voor de schouderaandoening onvoldoende recht wordt gedaan aan de pijn en hinder die hij altijd van deze aandoening heeft ondervonden, zeker gezien in het licht van de inzet die hij indertijd als militair heeft betoond.

Ook de Raad kan op grond van de voorhanden medische gegevens echter niet anders dan vaststellen dat van een toename van beperkingen als gevolg van de onderhavige schouderaandoening geen sprake is. Die beperkingen - omschreven in percentages van beweeglijkheid - vielen en vallen thans nog steeds binnen de omschrijving als vermeld in WPC-nummer 0142. De Raad kan zich hierbij met de overwegingen van de rechtbank geheel verenigen.

Naar gedaagde al bij schrijven van 9 augustus 2002 uitvoerig aan appellant heeft uitgelegd, gaat het bij de vaststelling van invaliditeitspercentages om een vertaling van objectieve medische gegevens in objectieve, technisch omschreven beperkingen van de betrokkene ten opzichte van een niet-invalide persoon. De waardering van die beperkingen voorts geschiedt aan de hand van de, sedert 1 januari 1953 in gebruik zijnde, War Pensions Committee (WPC) schaal, opgesteld door de medische sub-commissie van het Pact van Brussel.

Subjectieve bevindingen van de betrokkene of zijn staat van dienst spelen hierbij geen rol.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.